Dagelijks liep hij langs. Een oude man. Een kleine gestalte, gehuld in een oude jas die hij seizoensongebonden leek te dragen. Ook droeg hij altijd een pet, een versleten gavroche exemplaar van onbestemde kleur. Hij liep er krom onder, gebukt bijna. Het was de ouderdom.

Hij groette steevast. De in het noorden zo geliefde groet door middel van het heffen van de wijsvinger. Hij vergezelde het met een korte knik die zijn gelaat kort toonde omdat hij het hoofd dan ophief. Je zag dan dat hij, ook steevast, een sigaar in het hoofd had zitten. Zijn oogjes waren diep weggezonken en kon je ternauwernood zien, eigenlijk alleen doordat ze zo vriendelijk blonken. Twee heldere glimmertjes in oud perkament.

Aan twee lange riemen hield hij twee hondjes vast. Ook deze beestjes waren klein uitgevallen. Veel honden zouden we typeren als domme schreeuwers als het mensen zouden zijn. Deze hondjes blaften evenwel niet. Ze waren net zo bejaard als de oude man, schatte ik. Ze volgden gedwee de man, die voortschuifelde. Het was een vertrouwd straatbeeld.

Tot voor een paar maanden de man verscheen met slechts éen hondje aan een riem. In hetzelfde tempo schuifelde hij aan me voorbij, terwijl ik leunde op de stok van de schoffel. Ik kreeg weer de vinger en groette vriendelijk terug naar de glimmende oogjes. Ik wilde hem vragen waar het andere hondje was, maar bedacht dat het meest waarschijnlijk was dat het beestje was overleden. Ik wilde hem er niet mee confronteren. De zon scheen helder, de lucht was frisblauw en de man leek tevreden. Ook dit beeld wende weer. De man. De hond. De groet. De sigaar.

Maar een aantal weken geleden ging het anders. Doelloos zittend op een tuinbankje zag ik de man weer voorbij komen. Alleen. Hij schuifelde alleen langs. Zonder hondje. Hij leek dieper gebukt voort te gaan dan voorheen. Ik groette hem, maar hij schuifelde gewoon door. Toen hij me bijna voorbij was keek hij me heel even kort aan. De sigaar was uit. Ook de lichtjes in zijn ogen. Dof keek hij even terug en ging voort. Ik keek hem lang na.

Daarna zag je hem minder. Eens per week, twee keer per week. En toen niet meer. Godfried Bomans zei: Het geluk heeft de eigenschap slechts zichtbaar te worden, als het voorbij is.