Op een dag zat ik in de bus. Aangezien de regen al urenlang met een constante stroom uit de hemelse gieter kwam en de auto stuk was, had ik me met grote haast naar het bushokje gespoed. Toen de bus aankwam deden alle mensen een stap achteruit in plaats van vooruit, zoals je wel ziet als er een vrijwilliger wordt gevraagd uit een groep soldaten. Ik zag het in dit geval als een buitenkansje en stond opeens vooraan.

Helaas had ik de grote plas regenwater langs de stoeprand niet gezien. De buschauffeur blijkbaar wel, want met grote snelheid reed hij de bus door de plas en pas op het laatste moment bracht hij het voertuig tot stilstand. Een grote golf water kletste mij nat tot aan het kruis. Achter mij hoorde ik besmuikt lachen.

Eenmaal in de bus vond ik een plaatsje op een bankje, dat wegens een onduidelijke dwaling van de ontwerper tegenover de achterbank was geplaatst. Ik reed dus achteruit en keek de mensen op de achterbank recht in het gezicht.

Vlak voor mij zaten een erg dikke moeder en haar dochtertje van een jaar of vijf, zes. Kennelijk kwamen ze net van de kermis. De moeder was bedolven onder een tas met knuffels en enkele ballonnen en leek daardoor nog volumineuzer dan zij al was.

Tussen de ballonnen door keek ze me hoogst ongelukkig aan en steunde. Haastig keek ik opzij en trof de nieuwsgierige blik van haar dochtertje. Die stak haar tong uit. Ik kreunde nu ook en ging ongemakkelijk verzitten, omdat ik merkte dat zelfs mijn onderbroek nat was geworden. Ik vloekte zacht, maar toch te hard. Het dochtertje boog zich onmiddellijk naar haar moeder en fluisterde met een volume dat haar voor eeuwig ongeschikt maakte als souffleuze:
‘Oh mama, die meneer zegt dat woord dat papa ook altijd zegt en dat ik niet mag zeggen van juf!’
Zuchtend hief de moeder de ogen ten hemel. Ik lachtte. Het meisje keek me weer aan met die open blik.
‘Sorry,’ zei ik, ‘ik zal het niet weer doen.’
Het leek me niet meer dan billijk. Het meisje knikte, alsof het een vanzelfsprekendheid betrof en daarmee was de zaak blijkbaar afgedaan. De natte onderbroek vergetend besloot ik dat het reizen per bus toch best leuk was.

Onthutst zag ik echter dat de moeder mij vernietigend aankeek. Ik viel blijkbaar in een hele vieze categorie. Uit haar jaszak wurmde ze met veel gesteun een kleverig snoepje.
‘Hier. Hou es op die meneer lastig te vallen. Eet op.’
Het meisje haalde de schouders op, stak haar tong nog eens uit en stak het snoepje in de mond. De bus hoste verder en ik sloot de ogen.

Twee haltes verder waren alle ramen van de bus beslagen. Een groep van vijf tieners betrad luid schreeuwend de bus. Elkaar stompend en duwend liepen ze door tot de achterbank. Daar bleven ze staan.

Een jongen was duidelijk de aanvoerder. Hij stompte en duwde het meest. Een klein, roodharig ventje moest het vooral ontgelden. Krachtig wreef de leider een boterham in zijn haar. De roodharige onderging het gedwee. Luide lachsalvo’s vulden de bus. Verschillende mensen draaiden zich om. Dit soort hilariteit in de bus was nou juist waar ze schande van spraken in familiaire kring tijdens verjaardagen.

Twee tellen zag het meisje tegenover mij dit alles aan. Geïrriteerd slikte ze het laatste restje van het zeer hardnekkige snoepje weg. De plaaggeest stond met de rug naar haar toe. Aangemoedigd door de omkijkende mensen hief hij juist een opgeblazen boterhamzak boven het hoofd van de ongelukkige roodharige. Het meisje pakte bedaard een van de ballonnen en prikte hem lek, vlak achter de plaaggeest.

De knal was doeltreffend. De kleur trok weg uit het gezicht van de branieschopper. Met nog steeds opgeheven armen keek hij verdwaasd naar het boterhamzakje dat hij nog steeds boven het hoofd van de roodharige hield. Zijn greep verslapte, net zoals het zakje. Een grap die met een sisser afliep. De mensen in de bus lachtten luid. Een enkeling applaudiseerde.

Het lachen deed de jongen herstellen. Woest draaide hij zich om. Maar het meisje maakte een ingewikkelde beweging met haar armen en plaatste haar handen omgekeerd tegen de zijkanten van haar hoofd. Ze maakte met haar duimen en wijsvingers een soort bril, zodat het leek of ze een vliegenier was, met haar vreemd gebogen armen als vleugels.
‘Broem broem BOEM!’ neuriede ze.
Verbluft keek de jongen haar aan. Zijn woede kon nergens heen, met goed fastoen kon hij een meisje van vijf, zes toch geen tik verkopen. Het meisje stak ook nog haar tong uit en de mensen in de bus lachtten andermaal smakelijk, zich realiserend dat het verhaal in familiaire kring tijdens verjaardagen een onverwachte wending kende.

De plaaggeest werd beurtelings bleek en rood en wankelde. Met een zwakke duwbeweging werkte hij zich langs zijn vriendjes en ging drie meter verderop staan. Het was opeens lekker rustig in de bus.

Het meisje knipoogde naar me. Ik lachtte weer. De moeder zuchtte weer en gaf opnieuw een kleverig snoepje aan haar dochter.

Toen ik uitstapte keek ik nog een keer achterom. De tieners zaten nu allemaal op een bankje en praatten zachtjes onderling. Alleen de branieschopper stond nog. Hij hield zich vast aan een paal en staarde naar buiten, de mond een beetje sullig open. Uitgeschakeld door een klein meisje. Glimlachend stapte ik uit.

Middenin een plas.