Kleuren

Alles had een kleur. Hij dacht erover na. Hij dacht aan het oneindig zachte blauw in de ogen van een baby, de kleur van onschuld. Hij dacht aan het allereerste ochtendgloren met het zachtrose dat zelfs Monet niet kon uitvinden. De kleur van hoop. De pas geverfde witte muur in de zon dat het licht zó terugkaatste dat je je ogen dichtkneep. De kleur van kracht. Hij dacht aan de kleur groen van het allereerste blad in de haag. Het heldergroene dat stond voor energie. Het dieprode bloed aan het zaagblad toen hij zich sneed; het leven zelf.

Hij opende zijn ogen. Hij was niet kleurenblind, anders kon hij zich de zojuist voor ogen gehaalde kleuren vast niet inbeelden. Maar toch zag de kamer eruit als een film noir. De bank, de stoel, de gordijnen tekenden zich blauwzwart af tegen de donkergrauwe lucht die door het raam zichtbaar was. Hij schudde zijn hoofd en sloot zijn ogen. Toen hij ze weer open deed zag hij meer kleur. De tafel bleek lichtbruin, de stoel was overtrokken met een vrolijke groene stof en de takken die zich aftekenden tegen het luchtruim bevatten de eerste groene blaadjes waar de ochtendzon gelig doorheen scheen.

Toch had hij het vaker. Dat alles er film-noir uitzag. Opeens als hij van de WC kwam of na het een bezoek aan de tuin als hij weer binnenkwam. Alle kleuren leken weg te zijn uit het tafereel dat hij dan zag. Donkere tinten en donkere schaduwen. Niet gewoon zwart-wit. Noir. Donker. Duister. Grimmig. Hij kon de blauwzwarte kleur niet echt associëren met iets dat hij kende. Het maakte hem bang. Zijn adem stokte dan en hij keek rond alsof hij juist een schaduwwereld betreden had. Een ‘upside-down,’ een ‘second-reality’ die hij alleen zag.

Weer schudde hij zijn hoofd. Belachelijke Engelse termen uit boeken. Hij lag nog steeds op de bank en legde zijn hoofd weer op het kussen. Hij viel in slaap. Een fotoalbum dat naast hem lag gleed langzaam op de grond en landde met een zachte plof op de grond. Hij schrok op. Wéér die film noir scène. Hij huiverde en sloot zijn ogen. Heel voorzichtig opende hij ze weer. Langzaam stroomden de kleuren terug. Hij draaide met zijn hoofd en heel even viel zijn blik op een foto in het halfgeopende album op de grond. Hij zag een gezinskiekje met zijn kinderen, van veertig jaar geleden. Hij wist toch zeker dat die in kleur was. Hij tuurde maar zag ook dat de foto noir-tinten bevatte. Hij keek op en gilde. Alles was weer blauwzwart.

Hij sloeg met zijn hoofd op het kussen maar raakte daarbij hard de onbuigzame armleuning van de bank. Hij hoorde een doffe bonk. Geschrokken stond hij op en wreef op zijn hoofd. Het deed pijn. Hij liep naar keuken en hield een handdoek onder de kraan. Hij legde het op de zere plek. Pas toen besefte hij dat hij weer in full colour keek.

Hij dacht weer aan de kleuren. De vale grijswitte tint van verkeerd gewassen witte was, de kleur van verdriet. Het onvangbare oranjegele van oude huizen in Spanje waar hij vroeger kwam was de kleur van…. van… Hij stokte. Hij gooide de natte handdoek in de gootsteen en liep terug naar de bank. Hij pakte het fotoalbum op en bladerde door zijn weggestopte verleden. Vakantiekiekjes. Langzaam verdwenen de kleuren van de bladzijden. Hij sloot het boek en ging weer languit liggen. Hij sloot ook zijn ogen. Toen hij even voorzichtig door zijn oogleden door de kamer keek zag hij louter diepzwarte schaduwen van de stoel, de tafel en de gordijnen. Hij zag door het raam de donkergrijze lucht en de takken van de bomen als zwarte vingers voor het raam.

Hij sloot de ogen weer en droomde een zwarte droom. Om hem heen werd het donker.