Een kleurrijk volk

Met een langgerekte gil verwijderde de vrouw zich. Ze werd nagestaard door omringende mensen, die zich uit hun luie positie op het strand verhieven om te zien of er sprake was van enig sensationeel plezier. Maar de vrouw had zich met grote passen verwijderd en was, verder lopend langs de kustlijn, spoedig uit het zicht verdwenen. Ik staarde haar sullig na.
De vrouw was mijn moeder.

Ik was vijftien en puberde hevig. Ik worstelde met de wereld in het algemeen en mijn uiteenbarstende hoofd vol idee├źn, verbeeldingen en onderzoek in het bijzonder. Omdat ik me zo graag wilde onderscheiden onderging ik in de duistere catacomben van Groningen, met steeds roder wordende konen, een behandeling met een elektrische naald en diverse kleuren inkt. Als vijftienjarige stapte ik met een heuse tatoeage op de schouder rond op school. In 1980 behoorlijk opzienbarend.

Mijn ouders wisten van niets. Zelfs aan het behaalde embleem van stoerheid wende ik snel en toen ik driekwart jaar later tijdens de zomervakantie in IJmuiden argeloos het shirt uittrok bezorgde ik vooral mijn moeder ademnood, ofschoon ze aanvankelijk nog dacht dat het een van die plakplaatjes was, die in die dagen als surprise bij pakjes kauwgum werden meegeleverd.

Van mijn moeder zag ik weinig die dag. Mijn vader nam het laconiek op.
‘Je komt er nooit weer vanaf,’ was zijn nuchtere conclusie.
Bijna vijfendertig jaar later moest ik aan het voorval denken.

Het strand in Zeeland. Het zwemparadijs te Oss. Plaatsen waar ik, samen met mijn gezin, omringd werd door mensen wier oorspronkelijke huid maar met moeite te ontwaren viel. ‘Native Americans,’ de Sioux-Oglalla’s, beschilderden zichzelf alvorens ten strijde te trekken. Het leek een strand en een zwembad vol krijgers.

Natuurlijk werd ik elk jaar na de winter aan mijn onbezonnen pubermoment herinnerd op dit soort strand- en zwembadmomenten. Maar elk jaar viel ik minder op door het toenemend aantal beschilderde mensen. Temidden van deze ‘tribes’ viel ik, met mijn lullig tattootje, nauwelijks meer op. Waar ik vroeger aanzien beoogde met mijn roos op de arm, viel ik nu in het niet in dit puissant afbeeldingengeweld.

Een groeiende tendens. Niet alleen de vele afgestompte bierdrinkers of de agressieve hooligans die dit land rijk is, hebben de oorlogskleuren op. Oudere echtparen, liefelijke huisvaders, gepermanente winkeliers en de voorzitster van de leesclub; allen bezitten een bekraste huid, veelal over uitpuilend vet. Blauwige plakkaten met onduidelijke afbeeldingen en groteske gekalligrafeerde letters met onzinnige teksten. Chinese tekens, wapperende vogels, schorpioenen, sterren, handafdrukken, namen. Je kunt het zo gek niet bedenken of een of andere artiest mocht los op het ijdele vlees.

Nee, de stoere zeebonk met het ankertje op de hand en de vijftienjarige overmoedige scholier met het plaatje op de schouder behoren tot het verleden. De tattoo is verheven tot het kenmerk van de stam. Een gezamenlijk herkenningsteken dat vertrouwen biedt en bescherming van de groep. Een in de mode geraakte huidversiering, die al net zo normaal is als een oorbel, een horloge of een piercing. Een vrolijk kleurtjesvolk. Een nieuw middel waarmee je, temidden van al die anderen, kunt laten zien we je bent. Want daar is grote behoefte aan. Mits je duurzaam kunt kiezen, dat wel.

Ik dacht aan mijn vader. ‘Je komt er nooit weer vanaf.’ Dat duurzame karakter van zo’n tatoeage is wat getemperd. Gelukkig zijn ze erg knap met lasers tegenwoordig.

Groeten van een stamloze spijtoptant.
 
image54
 
 
2013.