Omdat binnen een luchtvochtigheid heerste van de ergst denkbare klamme soort, die zeer krachtige longen vereiste ten einde de laatste resten zuurstof te onttrekken, toog ik, gewapend met cola en chips, naar buiten. Onder een gegrijsd en onrustig zwerk nam ik plaats op een bankje. Toen ik de tanden in de krakerige chips zette betrad een groep kinderen van een jaar of zeven luidkeels het aanpalende grasveld, gewapend met een voetbal. Bezweet slenteren en duwen op vrijmarkten lieten ze aan volwassenen over. Ik gaf ze groot gelijk.

Nog maar net waren ze bezig elkaar de bal afvoetig te maken of het ronde geval belandde op een onverhoeds moment met een harde klap tegen de zijkant van mijn hoofd. Mijn bril werd met kracht weggeslingerd en belandde displaced naast mij in een Dwergmispel, Jan Modaal onder de plantsoenplanten. Het flesje cola was ook geraakt en liep stil en effectief leeg in het perk.

Een schier onbeheersbare drang tot tieren overviel mij. Maar net had ik de mond hiertoe geopend of ik zag in mijn betraande gezichtsveld een zeer weerloos jongetje staan. Hij bekeek me onderzoekend, als iemand die op zoek is naar enge beestjes onder een microscoop.

‘Kunt u de bal even pakken, meneer?’ zei hij, op een toon alsof het de normaalste zaak van de wereld was een man de bril van de kop te schieten, adresserend aan een border vol met Dwergmispel. Ik reikte naar rechts, pakte eerst mijn bril, poetste hem op en zette hem op mijn hoofd. Daarna reikte ik andermaal naar rechts en viste de bal uit de Dwergmispel. Ik had nog geluk gehad dat het zo’n goedkoop, plastic geval was. Een lederen bal had me waarschijnlijk definitief gevloerd.

Gedurende deze handelingen had de jongen elk mijner bewegingen kritisch gevolgd. Oliver Hardy kon dat zo prachtig uitbeelden. De jongen kon het ook. Onder zijn blik voelde ik me een sukkel.

Toen ik de bal terug wou geven zag ik de opdruk. Het toch al vrij ronde gezicht van koning Willem-Alexander prijkte op de bal. Net vroeg ik mij af welke verwrongen geest het schoppen tegen het hoofd van de koning als bijzonder speels definieerde, toen de jongen korzelig het ding uit mijn handen griste.

‘Hé schiet es op, eikel!’ riep een der vriendjes, die op afstand stond te wachten. Het bleef onduidelijk wie de kwalificatie naar het hoofd geslingerd kreeg. Ik dichtte het de jongen maar toe. Ik voelde me al een sukkel en achtte dit voldoende. De jongen stond aan de rand van het veld en haalde zeer dynamisch uit met zijn rechterbeen. Ik volgde, met zijn vriendjes verderop, met open mond de bal. Hoger en hoger zweefde de koning, met een grote, hoge boog zweefde hij over het plantsoen. De daling verliep nog vrij snel.

Zo belandde Willem-Alexander aan het einde van het grasveld middenin een groep bejaarden. Er rolde een hoofddeksel over het gras, maar verder deden zich geen ongelukken voor, gelukkig. De bal kwam rustig tot stilstand in een bos van oude benen. Een koning tussen de mensen.

De jongens renden gillend op de groep bejaarden af, tweespalt zaaiend onder de gelederen. Haastig werden rolstoelen verschoven en schuifelden de oude benen terzijde. Niet geheel onwelwillend overigens, maar helaas ging dit haastig gemanoeuvreer wel ten koste van de bal.

Met een luide kreun zakte een der rolstoelen doeltreffend over het met lucht gevulde plastic, dat de zorgvuldig vastgehouden damp met een zucht vrijgaf. Het liep met een sisser af.

De hele groep mensen, oud en jong, slaakte een kreet van teleurstelling. De ongelukkige rolstoelhouder maakte zich schielijk uit de voeten.

Toen ik even later sloffend het einde van het grasveld bereikte, was iedereen al vertrokken. Vanuit de verte klonken de carnavaleske klanken van de rommelmarkt. In de vuilnisbak lag de lekke bal, naast een verscheurde oranje sjerp. Het gezicht van Willem-Alexander zag er mistroostig uit. Ik deponeerde het zakje van de chips er maar op. Hij keek me verwijtend aan en bracht me, met een verlekkerde hang naar weleer, Machiavelli in gedachten:

Zwak is een vorst die niet onmiddellijk tot oorlogvoeren in staat is.