Laat vertrek

De oude man zit er altijd. Rechts voor, bij het raam. Hij is altijd alleen. Heel soms leest hij een boekje, maar meestal zit hij maar wat. Gewoon, zitten als tijdverdrijf. Zoals je ook je haar kunt laat groeien of druk bezig kunt zijn met ademen.

Vlakbij de school van mijn zoons bevindt hij zich in zijn uiterst kleine woning. Want dat hebben bejaarden met gevangenen gemeen, de leefruimte beperkt zich tot drie bij vier. Het is een aanleunwoning, mensen van het aanpalend bejaardenhuis houden een oogje in het zeil. Mocht de man niet zelf zijn bips meer kunnen afvegen dan vrees ik het ergste voor hem. Bejaardenhuizen raken uit tegenwoordig, omdat er geen winst meer te behalen valt aan de gemiddelde bejaarde, ze kósten vaak geld. Bejaarden moeten maar bij de kinderen wonen.

Maar stinkende rijkaards daargelaten; vaatwassers, afdelingschefs of procuratiehouders, uiteindelijk belanden ze allemaal in de cel van drie bij vier, ontdaan van gezwollen status. Na een leven van spelend kind, zuipende student naar getrouwd en gescheiden. Van ongetemd werkpaard naar het berusten in al weer veertig dienstjaren. De AOW die altijd tegenvalt. Broers, zussen en vrienden die heengaan en de kinderen en kleinkinderen ver weg in België. Hoe dan ook; uiteindelijk leunend op ogen van toezichthouders die geld willen zien. Geen nieuw verhaal helaas. Wél verdrietig.

Twee maal per week stap ik vlak voor zijn raam uit de auto. Hij kijkt dan op. Als een vermoeide hond na de jacht tilt hij de kop net boven de geraniums uit. Ik kijk terug en steek even kort de hand op, als groet. Hij wuift dan bibberend terug. Als ik terugkom bij de auto, voorzien van zoons, herhaalt zich het begroetingsritueel. Hij lijkt het leuk te vinden. Week in. Week uit.

Vanmiddag is het opeens anders. Geschokt stap ik uit de auto. Eergisteren zat hij er nog, vandaag is het complete woninkje leeg. Alles is weggehaald, campingstoelen in het kamertje en kloeke bakken met verf doen de komst van een nieuwe bewoner vermoeden. Hoewel de eerste stemmen opgaan om bejaarden preventief te ruimen neem ik aan dat de man dood is, of ernstig ziek. Maar misschien was het geld ook wel op en zit hij nu aan tafel bij zijn dochter, hoewel België ver weg is.

Een beetje triest haal ik mijn zoons. Ze zijn vervuld van Bram, die de bal afpakte en juf, die de verkeerde de schuld gaf. Ik kijk nog een keer achterom en zwaai in gedachten naar de man, die er niet meer is. Ik hoor mijn zoons vanaf de achterbank zeggen dat ze mij lief vinden. Ik huiver, en hoop dat ze dat over veertig jaar nog steeds laten blijken. Nou ja, twintig bedoel ik.

Eenzaam zijn zij die laat vertrekken.

 
image431