Langs de lijn

Dampig is het veld, als ik aankom. De wedstrijd is al aan de gang, ik hoefde maar op het geschreeuw af te gaan. Ik val met de neus in de boter.

‘Zet vast!’ roept een man naast mij, zó hard dat ik enorm schrik en de koffie over mijn bekertje, dat ik net aan de mond gezet heb, gulpt. Ik vind dat ze zo’n man gelijk moeten vastzetten.

Ik schuif wat op naar links, maar het wordt er niet beter op.
‘Delano staat daar niet goed. Het zoontje van de trainer staat wél mooi in de spits. Wat een sukkel. Moe’je ‘s zien man,’ argumenteert een man zeer parmantig tegen zijn hoogblonde buurvrouw, ‘Marco heeft er zo helemaal geen zin meer in!’
Hij heeft een kloek montuur en dito bakkebaardjes. Het haar draagt hij wat klef in de nek. Hij doet me sterk denken aan een boekhouder die wordt uitgebeeld door Monty Python’s Flying Circus. Ik lach wat tegen mijn koffie.

Hoewel hij rechtstreeks in het oor van de vrouw sprak reageert deze in het geheel niet. Met haviksogen volgt ze het spel der kinderen op het veld. We staan allemaal nog met de jas aan in de damp, maar de kinderen rennen in voetbalshirts en korte broek. De emotie is van het gezicht van de vrouw af te lezen. Het spel verschaft haar duidelijk geen plezier.
‘Aanbieden! Aanbieden!’ roept ze opeens, kéihard. Met open mond staar ik haar aan en denk aan de plaatselijke supermarkt. Aanbieden dus. Het lijkt me een koopjesjaagster.

’Goed zo!’ roep ik even later, als ik mijn zoon zie scoren. Het schreeuwen werkt blijkbaar aanstekelijk en de competitieve sfeer krijgt me in de greep.
Maar er gaat iets mis. Ik blijk tussen de toeschouwers van de tegenstander te staan, want alle hoofden draaien zich geërgerd in mijn richting. Ik hoor nasaal gemopper in dialect. Ik kom er goed van af, want na wat onderzoekende blikken draait iedereen tegelijk weer face-front, als een exercerend peloton.

‘Nou was er vorige week geen trainer aanwezig,’ vervolgt de boekhouder even later, ‘en vroegen ze de ouders of die training wilden geven. Wat een puinhoop, ik werk toch zeker.’
‘Afdekken! Toe nou! Helpen! Aanbieden!’ sommeert de vrouw.
‘Man! Let op je man! Die vent loopt er zo doorheen. Beetje opletten, Everett! Zet nou vast, schele!’ zeikt de man ernaast zijn zoon af. Het lijkt er op dat de mensen langs de lijn een aandoening hebben die noopt tot kort en krachtig schreeuwen.

Spoedig is het echter pauze en trippelen de spelertjes op hun voetbalnoppen naar de kleedkamers om glazen waterige ranja leeg te drinken. Het publiek is inmiddels verstomd en sjokt gelaten naar de kantine om koffie voor een euro te kopen.

Ik blijf buiten staan. Ik ruik de geur van het pas gemaaide gras, gelardeerd met een weeïge zweem van zweet. Het zonnetje breekt door en de scheidsrechter, die de rest van de week postbode is, groet mij even. Ik lach weer, want ik zie hem nog eens per ongeluk een brief trekken in plaats van een gele kaart. In het zomerseizoen is de man ook nog badmeester, hetgeen steevast klachten oplevert omdat de post nat wordt bezorgd.

In de tweede helft staan de meutes van beide partijen weer opgesteld, zij het dat ook het publiek van helft gewisseld is. Het begint allemaal gemoedelijk bij de middenstip, waar scheidrechter en spelers, die elkaar kennen uit het dorp, wat ginnegappen.

De moeders der spelertjes staan vingerwijzend bij elkaar en bespreken filerend alle plaatselijke afwijkingen van het door hunzelf gedefinieerde standaardgedrag. Hun eensgezindheid is groot, ze zouden zo als team het veld op kunnen.

Maar lang blijft het niet rustig, er valt een speler tegen de grasmat.
‘Kom op scheids, dit is geen voetbal hè? Beetje thuisfluiter zeker!!’
De gemoederen lopen opeens hoog op. De schreeuwers langs de lijn uiten woorden naar de scheidsrechter die ik onmogelijk kan herhalen. Ze getuigen ook niet van veel originaliteit. Ik begrijp in ieder geval dat veel scheidsrechters hondenliefhebbers zijn.

De boekhouder is de absente trainer blijkbaar vergeten en overmoedig heft hij het gebalde vuistje. De beide coaches, gisteren nog braaf in het gelid aan het werk, krijgen woorden over het ventje, dat nou wel of niet opzettelijk het andere ventje ten val bracht. Ze laten alle frustratie van de werkweek volledig vrij.

Dan vindt de scheids het best, fluit krachtig op een daartoe meegebracht apparaat en in krachtige bewoordingen maant hij beide coaches en publiek tot rust, hetgeen maar ternauwernood lukt. Ik vind het een held.

Verontwaardigd steekt het publiek en masse de sigaretten in de brand en proestend en kuchend baan ik me een weg door het rookgordijn en verplaats me weer een meter of twintig.

Want zo’n voetbalveld is wel lekker groot gelukkig.

 

image18