‘Eigenlijk ben ik allang dood,’ zegt hij somber.
Ik schuifel ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer. Ik hou niet van ziekenhuizen in het algemeen en, als welopgevoed westerling, niet van de dood in het bijzonder.
Hij ziet het wel en hij kijkt me indringend aan vanachter zijn grijze plukken haar, een beetje spottend.
‘Het is zo,’ zegt hij zacht, ‘de dood komt als een virusinfectie. Je loopt hem op. Een ongenode mee-eter die je niet ziet todat het te laat is.’
‘Je bent er toch nog,’ zeg ik. ‘Je bent er,’ verbeter ik snel.
Weer die spottende blik.
‘Ik ben er wel, ik ben niet gek,’ zegt hij, ‘nog niet.’
‘Nou dan,’ zeg ik.
‘Je doodt jezelf,’ zegt hij duister.
Het is even stil en ik kijk naar buiten. Vaal roze tegen een grijze achtergrond. Een lucht om te fotograferen.

‘Ergens laat je toe dat je wegglijdt,’ zegt hij na een tijdje. Ik kijk weer naar hem. Naar zijn holle ogen. Hoe het ook zij, lang zal hij er niet meer zijn. Dat doet me pijn. De traan in mijn ooghoek rolt eruit over de wang die wat naar de deur gekeerd is. Hij ziet het sowieso niet, want hij staart naar het plafond.
‘Je werkt, je doet dingen die je niet wilt doen. Je luistert naar mensen naar wie je niet wilt luisteren. Vaak zijn ze dommer dan jij. Maar het moet.’
Hij slikt even.
‘Je krijgt een vrouw. Kinderen. Ze zijn lief hoor, maar eigenlijk vreten ze je op. Als een bidsprinkhaan.’
Hij kijkt met een ruk opzij.
‘Wist je dat een bidsprikhaanvrouwtje haar man opeet na de paring?’
Ik knik. Ik weet dat.
‘Dat bedoel ik een beetje,’ zegt hij, ‘snap je dat?’
Ik knik weer.
‘Er komt een moment dat je aan het einde van een dag denkt: ik heb eigenlijk niet geleefd. Ik heb alleen maar gedaan wat ik moet doen. Wat een ander wil dat ik doe. Eerst kun je dat nog bedenken. Er zijn mensen die dan het roer rigoureus omgooien. Je hoort het wel eens, zo’n hoge pief die dan marktkoopman wordt. Ze bestaan wel.’
Hij knikt wat voor zich uit.
‘Ik durfde dat niet.’
‘Of ze gaan vreemd of ze gaan opeens op zo’n fiets door het bos crossen,’ zeg ik.
‘Ik deed dat niet,’ zucht hij.

‘Je klinkt wel somber en ontevreden,’ zeg ik, ‘kijk eens naar je mooie momenten dan, die zijn er zat. Ik weet ook wel dat niemand echt vrij is, dat is een illusie. Pure authenticiteit bestaat ook niet. Maar achterom kijken en zeggen dat het allemaal fout was is ook stereotyp.’
Zeg ik dit echt?
‘Je klinkt als de dokter hier,’ zegt hij, niet zonder vertedering.
Ik neem een slok koffie. Hij ook. Hij hoest even. Ik pak de stoel en ga wat dichter bij het bed zitten.
‘Ik kan er niet zo goed tegen dat je zo praat. Kom op man, je kan toch terugkijken op een mooi leven en bovendien doe je net of je morgen weg bent. Brrr.’
Uit zijn keel komt een diepe lach en hij noemt mijn naam. Hij pakt mijn hand even. Ik zit naast het bed en hij zit rechtop met kussens in de rug. We kijken elkaar aan.

‘Als je nog kan denken dat je een dag niet leeft zoals je zou willen leven is er nog hoop. Erger is als je pas na een hele lange tijd beseft dat je op de automatische piloot hebt gevlogen en een ander de route heeft bepaald. Denk erom jongen. Ik ken mensen die zich zelfs dat niet meer beseffen. Die zijn dus eigenlijk dood.’
‘Je vertelt het me nu toch man, je bent dus niet dood,’ zeg ik.
‘Touché,’ zegt hij. Weer die keellach.
Ik huiver.

Als ik weer buiten loop steekt er opeens een forse wind op die heftig aan mijn jas rukt. Even later begint het keihard te regenen. In een oogwenk ben ik totaal doorweekt. Ik sta gewoon stil op straat. Het voelt heerlijk.