Nog steeds ruik ik de kleedkamer, met de immer stinkende zweetsokken van Henry, weggepropt in zijn schoenen. Nog steeds zie ik de kleren door elkaar op de kapstok. Zie ik me kwaad een nat shirt wegdrukken in een grote kartonnen doos. Voetbalschoenen uitschoppen tot aan het plafond. Onder de douche uit frustratie Maarten met zijn kleine piemel uitlachen. Nog steeds voel ik de rode plekken op mijn lijf door de meppen met nat textiel tijdens het handdoekengevecht. Nog steeds voel ik de boosheid. Kwaad tot op het bot.
Omdat we hadden verloren.

Ja, vroeger. Ja, vroeger, ja. Zeiken over vroeger. Toen we gewoon gingen voetballen. Met je vader naar het stadion, met een vreemde spanning in je lijf. Zelf net zo goed zijn in je eigen wedstrijd. Je won, speelde gelijk, of je verloor. Ouders moedigden kinderen aan. Schreeuwend en blèrend. Andere ouders spraken daar schande van. De trainers schreeuwden de longen uit hun lijf en lieten weer een levensjaar achter op het veld, door alle opwinding van het spel. Boos op de spelers. Boos op de collega-trainer. En vooral boos op de scheids. Want voetbal is emotie. Voetbal is een arena.
Voetbal is oorlog.

Maar vooral: er waren geen lulletjes. Geen lulletjes met stiekem bier in de binnenzak. Lulletjes met broekjes, jasjes, shirtjes en gouden kettinkjes. Met een tatoeage in het nekje. Omdat het zo hoort. Lulletjes langs de lijn, met een peukje in het mondhoekje. Scootertje parkeren, amper naar het spel op het veld kijken en voluit intimideren. Met een zorgvuldig laaggehouden stem en gebaartjes die het zo goed doen in de gangsta-rap. Maar vooral met z’n allen. Niet één. Nee, een kudde lulletjes. Een kudde Velociraptors.
Voetbal is samen sterk.

Samen zó sterk. Samen de boel slopen. Afbreken tot de grond. Samen elkaar slopen. Samen een vader doodtrappen, die toch wel een erg slechte grens was. Voor de ogen van familie en publiek. Achterna rennen en zorgen dat hij op de grond gedrukt wordt. En doodtrappen. Met z’n allen. Of samen smerige scheidsrechters in mekaar timmeren, zodat ze nooit meer zullen fluiten. Samen. Samen sterk. Velociraptors. Want voetbal is oorlog.
Voetbal is eten of gegeten worden.

Laat mij lekker ruiken, lulletjes. Ruiken in die kleedkamer van vroeger. De zweetsokken van Henry. En laat me de boosheid voelen, met schoppen tegen de muur. Omdat we hadden verloren. Neem alsjeblieft die penetrante, agressieve, afgestompte geur mee. Die leegheid, van stoer doen omdat je niet eens beter weet. Met die onwaarschijnlijk wezenloze blik in je ogen. Die beelden van dom intrappen op grensrechters en scheidsrechters. Op elkaar. Een uitbreidend leger van lulletjes, die niet alleen meer langs de lijn staan maar nu ook al in het veld. Neem al die aanwezigheid mee, die mijn mooie herinneringen verpest. Die ranzige aanwezigheid van doodslag.
Voetbal is dood.

En blíjf weg.

 
Gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden op 17-05-2013