In een gouden herfstlaan schopte ik met mijn gympies de bladeren uiteen. Ze waaiden in grote wolken ritselend weg, alsof ze beledigd waren en ze onder elkaar me de verschrikkelijkste dingen toewensten. Ik legde er al mijn ingehouden woede in en trapte wild in het rond.

De laan door het bos bevond zich niet in een directe lijn naar mijn huis. Ik maakte een omweg omdat Koen en Huib me waarschijnlijk op stonden te wachten aan de Korenweg. Ik had geen zin in die confrontatie, schuldig als ik was aan hoogverraad. In hun ogen. Huib was een onberekenbare jongen, wild en agressief. Als je hem kwaad had gemaakt zat hij je als een terriër razend en tierend achterna. En Ben had hem kwaad gemaakt en kreeg flinke tikken van Huib.

Ik wurmde me tussen Ben en Huib. Huib was daardoor afgeleid. Terwijl ik de arme Ben overeind hielp gaf hij nog een laatste trap en merkte de lerares niet op, die opeens achter zijn rug stond. Een heterdaadje. De kermende Ben had een bloedneus en Huib moest donderdagmiddag nablijven.

Net toen ik de hoek om wilde, om vanuit het bos de hoofdweg te betreden, werd ik van achteren hardhandig beetgepakt door Koen en kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik wilde schreeuwen, maar Huib hield een zakmes vlak voor mijn gezicht.
“Nog één kik en ik snij in je gezicht, vieze verrader!” siste hij. Met zijn knie beukte Koen, die me nog steeds van achteren vasthield, keihard in mijn rug. Ik hapte naar adem.
“Vieze verrader,” tetterde hij, echoënd, in mijn oor.

Ik begon te jammeren en probeerde me los te worstelen. Ik voelde schoppen van Huib en afwerend stak ik mijn armen uit. Ik voelde een felle pijn in mijn linkerarm en op hetzelfde moment werd ik op de grond gegooid en hoorde de twee knapen wegrennen. Huilerig bleef ik liggen, tot ik doorkreeg dat ik met mijn gezicht in de modder lag.
Langzaam ging ik zitten en zag tot mijn grote schrik bloed op mijn linkeronderarm. Er zat een knappe snee en het bloed kroop er lobbig uit. Ik pakte mijn zakdoek en bond die om mijn arm. Onhandig ging ik staan en liep gehavend naar huis.

Ik liep in een keer door naar de badkamer. Ik waste mijn arm en deed er een paar grote pleisters op. Daarna waste ik ook mijn gezicht en liep snel de zoldertrap op naar mijn kamer en deed een shirt met lange mouwen aan.
“Hoe was het op school, jongen?” vroeg mijn moeder, toen ik weer beneden kwam. Ik vermeed haar blik en mompelde dat het goed was. Ik kon mezelf nóg wel zo’n snee toebrengen. Een jongen in klas drie die huilde. Ik leek wel een brugklasser.

De week erop bleek de snee in mijn arm ontstoken. De huisarts keek er zuchtend naar, zijn hoofd schuddend.
“Jongens zijn jongens,” zei hij, weinig verheffend, “hechten kan nu niet meer, je had eerder langs moeten komen! Goed ontsmetten. Ik zal je wat meegeven, maar je zult er wel een litteken aan overhouden.”
Ik glunderde. Was ik toch nog stoer.

Op school werd het voorval niet besproken. In de weken erna konden de pleisters eraf en werd er af en toe door Huib en Koen nogal lacherig gedaan bij het zien van het litteken. Eén keer kneep Huib expres hard in mijn arm.
“Vuile verrader,” zei hij. Een tekst die ik al kende. Maar tot een handgemeen kwam het niet meer. Door het litteken had ik een vreemd soort macht gekregen omdat ik de twee jongens elk moment kon verraden. Ik deed het niet. Ik vond de wapenstilstand erg prettig.

Ik dacht vorige week aan dit voorval, toen ik in een café achteloos een koffie bestelde. Ik dacht dat de ober op mij viel, omdat hij nog twee keer achterom keek. Een narcistische gedachte.
Toen hij me de koffie bracht keek hij me nog eens aan. Zijn blik was zoekende. Ik keek eens wat beter naar hem en toen zag ik het. Het was Huib.

Zijn wil was wet binnen grote groepen op school. Zelfs Koen was in wezen bang voor hem. Nu stond hij voor me, met een wit schort voor en een lullig dienblaadje in de hand, met een gehaakt kleedje erop en een kopje koffie met een koekje. Hij was vadsig en het zweet stond op zijn voorhoofd. Er begon iets te blinken in zijn ogen. Ik wist dat hij me zocht in zijn beneveld brein. Ik stak mijn arm uit om de koffie aan te pakken. Hoewel het litteken veel dunner was geworden in de loop der jaren kon hij het makkelijk zien, zo pal onder zijn neus.

Met kletterend geraas viel het blaadje met koffie op de grond. Uit de catacomben van het pand kwam de baas aangesneld en gaf de ongelukkige kelner een publiekelijk standje. Huib droop af, als een geslagen hond.
Nog eenmaal keek hij achterom en onze blikken troffen elkaar. Ik wou lachen, als een soort achterlijke, uitgestelde triomf. Maar ik zag angst en triestheid.

Toen sloeg de deur achter hem dicht. Ik keek nog lang naar de gesloten deur en dacht aan Godfried Bomans:
De geschiedenis is het heden, gezien door de toekomst.”