Ferry was een succesvol zakenman. Als aanhangsel van een vriend van mijn vader had ik hem leren kennen. Een Belg, die een kampwinkeltje dreef op het grote Spaanse bungalowpark, waar ik elk jaar verbleef tijdens de vakantie met mijn ouders. De hand die aan elk begin van de vakantie de mijne drukte was zweterig, en voorzien van een opzichtige ring met een rode, heldere glimmende steen. Zijn zakelijke escapades waren evenwel van mistige aard. De winst uit het onduidelijke kampwinkeltje mocht toch als marginaal worden betiteld. Het maakte Ferry wat raadselachtig, met een zweem van verboden activiteiten.

Ferry wist zelf erg goed dat hij succesvol was, en etaleerde dat graag. Naast het gangbare poenerige gedrag en het frequent vermelden van kostprijzen van door hem aangeschafte goederen, trok Fer het door tot in de kleinste details. Gewone stervelingen plachten bijvoorbeeld te melden dat ze een ritje met de wagen gingen maken. Ferry zei in zo’n geval:
“Ik ga even met de Mer-ce-des naar de stad,” waarbij elke lettergreep van het automerk afgemeten werd uitgesproken.

Veel geld beïnvloedde ook de motoriek van Ferry. Voortschrijdend met de buik vooruit en de handen op de rug, plaatste hij het ene been zeer zorgvuldig voor het andere. De lokale kinderen uit het dorp gaven op enige afstand achter hem een knappe imitatie weg, zodat het leek alsof een moederkloek met een rij kuikens over straat liep. Ferry had zulks echter niet in de gaten. Met ook weer een afgemeten, zij het niet onvriendelijk, “Ge-rrarrd!” groette hij me steevast in het voorbijgaan. Ik knikte altijd terug, of hief kort de hand, als teken van groet.

Aangezien Ferry niet alleen afgemeten sprak, maar ook slechts vanuit de rechter mondhoek, duurde het niet lang voor ik de man feilloos nadeed, tot groot vermaak van velen. Zelfs op school wist men wie Ferry was, omdat mijn imitaties niet beperkt bleven tot de vakantieperiode.

Zo zag ik Ferry jaar in jaar uit, bij het jaarlijkse bezoek aan het vakantiedorp. Maar in het laatste jaar dat ik nog meeging met mijn ouders troffen we de kampwinkel geheel verlaten aan. De wind gierde om het pand en ademde de desolate sfeer uit van een film van Sergio Leone. Navraag leverde op dat Ferry de afgelopen winter een hersenbloeding had gehad en nu in het dorp woonde, waar zijn huishoudster hem verzorgde.

Ik zag hem de volgende dag zitten op een bankje op de Avenida de Rhode, met uitzicht op de zee. Het was alsof een schaduw voor de zon trok op de stralende dag toen ik hem zag. De eens zo poenerige dikdoener was verschrompeld tot een uitgeteerde man. Zijn broze lichaam was, ondanks de warmte, gehuld in een veel te grote jas. Wat vage lokken haar bewogen in de wind. Ik twijfelde even, maar ik ging toch naast hem zitten en groette hem.

Hij keek opzij. Zwartomrande ogen lagen ver weg in hun kassen. Eén blik in deze ogen zei me dat ik na deze zomer Ferry nooit meer zou zien. Hij leek of hij door me heen keek, ver weg over de zee, naar een bestemming waarnaar hij reeds op weg was. Hij keek weer voor zich, maar even later wendde hij zijn hoofd weer in mijn richting. Hij opende zijn mond, maar ik kon niet verstaan wat hij zei. Ik boog voorover.
“Ge-rrarrd,” hoorde ik, heel zachtjes.

Beverig drukte hij mijn hand, een stapeltje botjes van meneer Dood. Ik kreeg een brok in mijn keel. De man die ik zó vaak na had gedaan zou ik nooit meer imiteren. We praatten nog wat. Althans, ik sprak en hij hield het bij korte knikjes. Ik gaf hem voorzichtig een klopje op de schouder, bang dat ik hem om zou duwen, groette hem nog eens en liep weg. Ik hief kort de hand, als teken van groet. Hij knikte nog even.

Net toen ik wou oversteken scheurde een grote wagen keihard voorbij, de turbulentie rukte aan mijn kapsel en de jaspanden van Ferry. Hij keek de auto lang, erg lang na.

Het was een Mercedes.
 
 
image56