Met de gele taxi

Als je langzaam maar zeker een oude lul wordt, zoals ik, dan merk je langzaam maar zeker de onafwendbare wurggreep van aftakeling. Het begint bij het potje voetbal met de zoons; opeens schiet je de ballen minder zuiver en loop je te hijgen bij het derde sprintje, terwijl jongens dartel om je heen huppelen. De buik wordt vanzelf dikker, terwijl je vroeger alles vrat wat aan je voorbij kwam en je gewoon slank bleef. Haren worden dunner, spieren slapper en het warme vest met knopen zit opeens wel erg lekker. In de spiegel lijkt het alsof je scheermes extra lijnen heeft getrokken langs slapen en ogen.

Maar op sommige momenten gaat het besef wel heel snel. Kafka schilderde deze week een bezoek bij de huisarts. Na wat indringende vragen, waarbij ik scherp werd geobserveerd en ik vertelde over klachten waarvoor ik al eerder was langs geweest, werd er een protocol opgestart dat mij binnen het kwartier in een ambulance deed belanden. Opgebonden op een brancard, om het lukraak afrollen te beletten, reed ik opgebaard over straat. Een enkele passant keek me met open mond aan. In onmacht lig je mooi voor lul op zo’n verrijdbaar bed en ik keek maar wat besmuikt terug. Ik prees me gelukkig dat ik niet op het werk was en de meewarige koppen van collega’s moest verwerken, toch al een dagelijkse uitdaging.

Ik verdween in de grote gele taxi. Ik vroeg nog of de sirene aan mocht, maar dat was niet nodig. In de ambulance prijkte een grote rode sticker met een manende tekst om vooral het ambulancepersoneel niet aan te vliegen. Die behoefte had ik totaal niet. Er werd met liefde voor mij gezorgd. Alleen die scherpe naalden in mijn armen deden wel zeer, maar de ambulancemevrouw bezwoer mij dat het nodig was. De ambulancechauffeur stak nog even de duim op naar mijn vrouw ter geruststelling. Toffe gast. Ik kreeg drugs ingespoten die lekker voelden. De echte wereld leek ver weg. Kafka leek tevreden.

In het ziekenhuis stond een horde personeel klaar. Ik werd te onpas bij naam genoemd en moest zeggen wanneer ik was geboren. Ook ikzelf loop wel eens te klagen bij wachttijden in het ziekenhuis, maar de goed geoliede zorgmachine die nu op gang kwam deed mij voor eeuwig verstommen. In drie uur tijd werd ik binnenstebuiten gekeerd. In het laatste gesprek met de arts werd duidelijk dat er geen acuut gevaar was en ik weer naar huis mocht. Ik vroeg of de sirene aan mocht maar het was de bedoeling dat ik zelf vervoer regelde.

Het was inmiddels avond. Daar kwam Kafka weer aangeslenterd. In schril contrast met mijn aankomst zwierf ik eenzaam weg van de Spoedeisende Hulp. Ik liep door lege gangen en gesloten afdelingen. In het restaurant zat een oude man in een rolstoel te dutten. Ik kocht een flesje cola bij de mevrouw achter de balie en ging bij het raam zitten wachten op vrouw en kinderen. Het was donker buiten en ik zag mezelf weerspiegeld in het grote raam. Ik hief het flesje en proostte met mezelf.

Hou je taai, ouwe.


 
15-03-2019: met dank aan Martini Ziekenhuis Groningen.