Metafysica: Levinas

Achtergrond
Ideeën van Levinas zijn ontstaan vanuit de horror van de oorlog. Vernedering speelt daarin een rol. Ethiek van Levinas is eigenlijk geen ethiek. Ipv ethiek van deugden (Aristoteles) of categorisch imperatief (Kant) schrijft Levinas nergens hoe te leven of wat goed is. Levinas denkt meer vanuit fenomenologie; hoe ziet de structuur van de ervaring eruit? Míjn ervaring van aangesproken worden door de ander. Het appel dat daarmee gedaan wordt door de ander op mijn moraal is mijn verantwoordelijkheid. Echter is dit niet tevens een soort categorisch imperatief want Levinas zegt helemaal niets (geen normen, waarden, deugden) over hoe die verantwoordelijkheid dan moet worden ingevuld. Levinas heeft het wel over een (zwakke) basis van moraliteit in de samenleving.
Aristoteles laat mensen en samenleving tot bloei komen met noodzakelijk kwaliteiten, opgedaan door opvoeding en (gewoonte)vorming (deugden); een harmonische samenleving met hoogstaande mensen. Hierbij moet de tijdsgeest van Aristoteles bekeken worden, waardoor aannemelijk wordt dat hij een ideaalplaatsje beschreef vanuit een roerig Athene. Als de situatie al zo was had Aristoteles de deugdethiek waarschijnlijk niet eens geschreven.
In de tijd van Kant zochten mensen het antwoord op wat goed te doen voornamelijk bij anderen (vnl ook bij kerk, staat en traditie). Zelf denken krijgt zo bij Kant de nadruk. Denk vanuit jezelf wat goed is voor iedereen.
Huidig hanteren van Kant’s imperatief leidt eigenlijk tot mijn wil is wet, ipv dat mijn wil beteugeld wordt ten gunste van iedereen. Nu is er echter ook heteronomie (net als tijdens Kant) en zit hem nu in de media en de globaliserende massacultuur. Daarmee loopt de autonomie opnieuw gevaar. Aan de andere kant ontstaat dezelfde nostalgie als tijdens Aristoteles. Men wil de gemeenschap als uitgangspunt in een tijd van individualisme. McIntyre probeert de deugden bijvoorbeeld nieuw leven in te blazen.

Vernedering
(1) Ervaring ligt nog benden de toestand der dingen, (2) is onontkoombaar en (3) is tot de diepste identiteit gereduceerd. Dit samen is de ervaring van de vernedering, hoewel vernedering moeilijk alomvattend te beschrijven is. Er is ook een onderscheid tussen serieuze en alledaagse vernedering. Criterium van ontmenselijking is daarbij belangrijk. Ethiek gaat vaak over het goede, bijna nooit over vernedering. Vernedering staat niet in de 10 geboden. Binnen de VN ook beperkt (bv behandeling van gevangenen).
Menselijke waardigheid is een gemeenschappelijk iets door alle culturen heen. Vernedering is dan schending van de menselijke waardigheid. Daaruit zijn dan mensenrechten afgeleid. De 10 geboden kunnen toch vanuit vernedering bekeken worden. Als je iets van iemand steelt dan verneder je hem eigenlijk. Dat ie bij ons wat verder weg geraakt maar in andere culturen prominenter aanwezig en is ook zeer verschillend per cultuur.
Op deze manier ontstaat toch een moreel uitgangspunt en is het ook universeel. Het is beneden de toestand der dingen en voor Levinas (tijdperk) ook onontkoombaar.

Ontsnapping
Ontsnappen is niet oppervlakkig (grenzen overstijgen, naar het hogere gaan, psychologisch) maar het aan het zelf-zijn ontsnappen. Hierin zit een verzet tegen Heidegger (nazi). Bij Heidegger gaat het om het zijn. De mens gehoorzaamt het zijn. Levinas zoekt daarin een uitweg.
Ontsnappen ontstaat uit verstrooiing, schaamte en walging. Het is willen ontsnappen aan de identiteit. Verstrooiing geeft tijdelijke verlichting. Terugkeer naar de realiteit geeft schaamte; de onmogelijkheid jezelf niet met jezelf te identificeren. Uiteindelijk mondt dit uit in walging; de weerzinwekkendheid van het zijn. (komt voort uit de dreigende nazi terreur). Levinas zegt niet hoe je dan ontsnapt.
Vroeger werd identiteit achter de rollen in het leven vaak bepaald door God; uiteindelijk kwam je daarop uit en was je onvervangbaar. Tegenwoordig ontstaat identiteit uit wat je voortbrengt (werk, status, smaak, voorkeuren). Authenticiteit is de opdracht. Daarmee is de onvervangbaarheid van het individu verloren gegaan. Overbodigheid is daarmee een groot gevaar en onverdraaglijk. Authenticiteit is daarbij geen wapen omdat men immers vervangbaar is. Toch zien we een massale vlucht naar authenticiteit (media, internet, gezien worden – het oog van de camera ipv het oog van God). Het verlangen is uniciteit, onvervangbaarheid. Paradoxaal is dan het sterk op elkaar willen lijken in uiterlijk en uitingen. En in hoeverre is authenticiteit eigenlijk een waarde: ‘wees authentiek’ maakt juist niet authentiek. Als authenticiteit hetzelfde is als identiteit dan is het weerzinwekkend, zoals Levins zegt.
Authenticiteit als eis is voor autochtonen al ziekmakend (burn-out). Het volgen van ideaalbeelden (succesvol, creatief, goede ouder, goede seks, alleskunners) is immers onhaalbaar en ook een paradoxale authenticiteit en dus identiteit. Allochtonen staan hierbij nog achter en kunnen al helemaal niet voldoen. Verstrooiing, schaamte en walging komen dan dichtbij en uit zich in woede. Uitverkiezing, een uitverkorene zijn, lijkt dan identiteit te geven en biedt ontsnapping. Met een ultieme zelfopoffering bevestig je dan je eigen onvervangbaarheid. Ziehier de terrorist.

Transcedentie
Latere fase van Levinas. Hypostase: het subject probeert niet zomaar te ontsnappen van het zijn, maar ik stel mij tegenover het zijn; ik heb er een zekere afstand, onafhankelijkheid van genomen. Het ontsnappen is er nog wel enigszins, bijvoorbeeld in de toestand tussen slaap en wakker. Je bent dan het anonieme zijn, waartegen je je overdag teweerstelt. Bovendien komt de theorie door plaatsing in de eerste persoon dichterbij de lezer.
Eenzaamheid is de prijs voor hypostase. Lichamelijk is meer het aan zichzelf vastzitten geworden. Wonen, werken, eten en drinken worden zo naar binnengehaald waardoor de subjectiviteit van het lichaam dynamisch wordt. Ook waarnemen, denken, ervaren is dynamisch en wordt uitgevoerd oor het subject. Dit buiten zichzelf treden moet daarna worden verwerkt en zo keert het subject weer tot zichzelf terug. Het subject is centralistisch: het overkomt míj. Het lijden en genieten bestaat uit de onmogelijkheid de cirkel van naar buiten en naar binnen treden te doorbreken.
De dood is onderdeel van het leven en staat buiten de dynamiek van het subject. Het subject staat volkomen passief hier tegenover: transcendent. Door de relatie met de transcendente dood worden de activiteiten van het subject pas mogelijk. Het subject verweert zich tegen de dood door uitstel hiervan en door voortplanting.
Erotiek bestaat als een tweede transcendentie. De ander is volstrekt anders en kan ik niet volledig kennen of begrijpen. De ander ontsnapt mij steeds en transcendeert mijn begrip. Er is een radicaal en onoverbrugbaar verschil en er is sprake van andersheid en transcendentie. Dit is van latere invloed ivm de ethische relatie met de ander.

Morele ervaring
Eerstepersoonperspectief is nodig om de ander te ervaren. ‘De mens’ is abstracter, en daar vorm ik een onderdeel van. Ik ben van nature vrij en middelpunt van eigen bewustzijn, handelen en zingeving. Door middelpunt te zijn ben ik totaliserend; alles wat ik doe maakt het mijn wereld en is in principe onbegrensd. Behalve het transcendente tov totaliteit. In de metafysica is dit vaak God. Het valt niet binnen mijn wereld of is daar niet in te halen, het zou daardoor niet anders zijn. Levians stelt de ander op dit niveau. De ander is volstrekt anders dan ik. Als ik niet vertrek vanuit het mens-zijn maar vanuit het ik, word dit verschil met de ander zichtbaar. Het morele effect ervaar je dus vanuit je ik tov de ander. Het is een moreel appel van de ander naar mijzelf. Dit kan een gebod zijn (negatief). Positief stelt hij dat je de ander niet mag beroven van zijn anders zijn, het is een uitnodiging tot verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid noemt Levinas het uitgangspunt van waarden en is zelf geen waarde. Zij vraagt om een inzet (taak tot zorg). Aan mij te bepalen, Levinas geeft hier geen inhoud maar is afhankelijk van jezelf en omstandigheden. En heeft vrijheid, anders is het alsnog een gebod. Levinas geeft dus geen overkoepelende moraal.
De verantwoordelijkheid is asymmetrisch; onomkeerbaar. Het is míjn verantwoordelijkheid naar de ander en niet direct andersom. Vergelijk met vriendschap; niet alles wat je doet in een vriendschap is op de weegschaal wederkerig maar ook onbaatzuchtig. De ander is degene die mij verantwoordelijk maakt en dat is oneindig, er is geen regelaar die verantwoordelijkheden regelt. De ander is hier ook geen subject, want dan zou ik dat ook zijn en zouden we dus weer gelijk zijn. Het is een effect van de ander als ander. ‘Een lange man voorkomt de aanschaf van een trapje.’ Het gaat om het effect van lang zijn en niet dat hij de daad ‘voorkómen’ uitvoert.
Subject-zijn is genieten. Genieten is essentieel voor het materiële bestaan. Zo zijn we niet met activiteiten als doel, en niet daarbuiten. Genieten is en blijft lichamelijk. Levinas gaat van ontsnappen naar hypostase naar genieten. Vanuit de ander verschijnt de totale scheiding zich door transcendentie; het niet opgaan in mijn totaliteit. Vanuit mijzelf komt het onderscheid door het genieten; het bewaren van een zekere onafhankelijkheid tov waarvan ik afhankelijk ben. Moraal is een kwestie van geven wat je hebt. Goede intenties en zuiver geweten zijn mooi, maar in feite bijzaak. Het appel komt van de ander en ik stel mij open om me te onttrekken aan mijn totaliteit.

Verslaving en ascese
Het genietende subject ligt eigenlijk tussen verslaving en ascese. Maar verslaving lijkt het opgeven van de centrale positie als subject en dus de principiële vrijheid. Moderne subject-object theorie plaatst beide in een wederzijdse relatie. Beide zijn aanwezig in mijn lichamelijke existentie. Ik geef het object betekenis door mijn waarneming, omgang en betekenis. Ieder subject wordt op deze manier aangetrokken tot bepaalde objecten. Bij verslaving is er dan een overheersende aantrekkingskracht; het subject doet wat de objecten willen, op hun voorwaarden.
Verslaafde kan niet genieten volgens Levinas omdat er geen onafhankelijkheid meer is tov datgene waarvan hij afhankelijk is. De verslaafde kent ook zijn primaire verantwoordelijkheid niet, en kan niet geven wat hij heeft, hij verneemt het appel van de ander niet. Ook is de verslaafde hierdoor dus eenzaam.
Verslaafden worden betiteld als losers, asceten als winnaars. (‘laat los’) maar zijn zeldzaam. Ascese is vaak (religieus en niet-religieus) een bekende kern van geestelijk leven (vastenritueel bv). Genot en het goed gaan niet in principe samen. Overlevingsprincipe is er een van uitstel behoeftebevrediging (en daardoor uitvindingen). Huidige cultuur stuurt erg op bevrediging van alle behoeften omdat het behoeften zijn. Binnen ethieken gaat het vaak om zinnelijk genot tbv iemand zelf tov denken om een ander.
Levinas stelt echter dat genieten een voorwaarde is om het appel van de ander te horen. Ascese is trouwens ook ik-gericht. Zelfoffer (mededogen) overstijgt dit ik-zijn. Het Boeddhisme zegt dit in combinatie met ascese. Leveinas zegt dit dus in combinatie met genieten. Zowel de verslaafde als de asceet zijn gevangen en kunnen niet transcendent naar de ander. Levinas heeft ten stille kritiek op de consumptiemaatschappij die hij als verslavend ziet.

Sociale filosofie
Derrida stelde dat je pas transcendent tov de ander kan zijn als je die ander kan zien (Husserl) en die ander laat zijn (Heidegger). Bovendien kun je niet ontkomen aan totaliteit omdat je het denken van de ander onvermijdelijk in begrippen vangt. Bovendien schrijft Levinas louter metaforen volgens Derrida.
Levinas reageert hier radicaler op. De ander dringt zich echt op en wordt de obsessie van mijzelf. De verantwoordelijkheid kiest mij, onontkoombaar. De verantwoordelijkheid gaat vooraf aan mijzelf. Daarmee decentreert hij het subject. Dit heet plaatsvervanging (substitution). In het gewone leven is plaatsvervanging slechts gedeeltelijk en tijdelijk, bij Levinas in morele grond radicaal en onbeperkt.
Elke ander is onlosmakelijk anders maar is vanuit zijn perspectief is de ander ook weer een subject. Dit tweede niveau is in principe het niveau van de samenleving, waarin de subjecten gelijk zijn. Levinas noemt dit ‘de derde’ en is een gecompliceerde afleiding van ik en de ander. Maar de derde is ook een ander. Ik moet dan mijn verantwoordelijkheid dus over meerdere anderen verdelen. Ik realiseer me dan dat ook ik een ander ben voor een ander. Daardoor worden er gelijk ook grenzen gesteld aan mijn verantwoordelijkheid voor de ander (dilemma van de vrouw die een oud vrouwtje behoedt voor een val: moet zij nog meer helpen en hoeveel en hoelang en ten koste van wie nog meer of van haarzelf). Levinas geeft zo de samenleving een morele basis.
Waarom geven individuen vrijheden op om in een samenleving met wetten te leven? Antwoord is conflicterende eigenbelangen die leiden tot oorlog. Ik-en-de-ander versus de derde opent het perspectief van de samenleving. Primaire asymmetrische oneindige verantwoordelijkheid van mij voor de ander geeft symmetrische eindige en geregelde verantwoordelijkheden voor de samenleving waar we voor de wet gelijk zijn. Dankzij deze primaire verantwoordelijkheid is er ethiek.

Zorg en hulpverlening
Ideeën van Levinas geven een krachtige impuls. Hulpverlening is niet eenrichtingsverkeer of het technisch uitgieten van middelen. Ook geen relatie op basis van gelijkheid of omkeerbaarheid. Niet een totale overgave van de hulpverlener. Ethisch appel is oneindig maar niet geen loodzware morele dwang. Het gaat om de ontmoeting met de mens. Een appel van de ander dat hoger staat dan mijzelf.
Echter is dit geen fixatie voor bijvoorbeeld maar één patiënt. Hier komt de derde weer naar voren. De mens tegenover mij heeft ook weer een naaste, en die ook weer. Anders is er ook onrecht naar anderen. Kwantificering in de zorg moet leiden tot voorkomen van onrecht naar de vierde en de vijfde enz. maar leidt ook tot onrecht aan het oneindige appel van de ander. Dit dilemma ten aanzien van middelen en mensen geldt ook ten aanzien van keuzes die leiden tot bezuiniging op de zorg ten baste van andere (economische) zaken. Zelf bij goede keuzes is kwantificering noodzakelijk. Dit dilemma zorgt voor noodzaak en onrecht die samengaan. Een vruchtbaar dilemma dat zorgt voor een goede spanning.