Mei 2000. Na een lange treinreis vanuit Groningen, met een zeer lange tussenstop in Warschau, bereikt de trein de grens met Wit-Rusland. De trein houdt stil. Achteloos sta ik in de corridor. Ik rook stevig in die tijd en ik blaas de rook door een klein steekraampje naar buiten.

Met een klap sluit iemand van buiten de trein het raampje. Ik zie nog juist een machinegeweer en een in het groen gestoken arm. Van de schrik tuimel ik naar achteren, de trein in. Toch kijk ik even later behoedzaam en weifelend weer naar buiten. In de psychologie noemen ze dat een approach-avoidence conflict. Tot mijn schrik zie ik dat een lange rij militairen staat opgesteld langs de trein. Allemaal zwaar bewapend.

Ik loop de coupé in en zie dat eenzelfde rij mannen aan de andere kant van de trein staat. Wat verontrust laat ik me zakken op mijn stoel.
Even later dreunt de schuifdeur van de coupé open en verschijnen drie militairen. Ik begrijp uit een nurks Russisch woord van de aanvoerder dat ik mijn reisbescheiden moet tonen. Je komt niet zomaar Wit-Rusland in. Naast mijn paspoort toon ik hem de uitnodiging van de universiteit van Minsk.

Hij staart zó lang op de uitnodiging dat ik al snel denk dat er iets in staat dat niet klopt. Ik heb niet gecontroleerd wat in de uitnodiging staat, maar ben uitgegaan van de bijgevoegde vertaling. Ik betreur dat nu hevig.

Niet terecht. Met een snauwerig “Da” tikt hij tegen zijn pet en hij loopt door. Een van zijn companen stoot met zijn machinegeweer onzacht tegen mij aan.
Even verderop wordt een man ruw de trein uitgesleurd, luid schreeuwend en kermend. Ik heb het zweet op het voorhoofd staan en waan me in een lowbudgetscène van een oorlogsfilm. Toch gebeurt dit écht.

De rest van de reis verloopt voorspoedig. Na een week in Minsk ben ik het voorval al bijna vergeten als ik midden op straat opnieuw met een machinegeweer wordt geconfronteerd. Maar ditmaal heb ik hem bijna tegen de borst.

Om mij heen kijkend heb ik niet opgemerkt dat alle mensen werden tegengehouden. Ik wilde net argeloos de straat oversteken toen de militair mij staande hield.
Hij kijkt me strak aan en maar heel langzaam, het lijkt een eeuwigheid, verplaatst de loop van het geweer zich naar de grond. Ik mompel een verontschuldiging en doe gauw een paar stappen naar achteren. Maar de blik van de militair blijft aan mij kleven.

Net wil ik snel weglopen als ieders aandacht wordt gevangen door drie glimmende, zwarte limousines. Ze rijden met hoge snelheid langs de wachtende mensen. De militairen salueren. Dan loop ik haastig weg.
Pas ’s avonds verneem ik dat dit straatbeeld heel normaal is als president Loekasjenko even naar het zwembad wil.

Dit verhaaltje is niet verzonnen. Een land waar het maandsalaris omgerekend veertig euro bedraagt en je een rijkaard bent als je ongeveer een euro uitgeeft voor een taxi. Een land met zomaar een geweer op de borst gericht, omdat iemand er langs moet naar het zwembad. Waar beschuldigden van een aanslag in Minsk zijn gefusilleerd, zonder duidelijk proces. Het land dat alle relaties verbreekt als de ambassadeur uit een ander land contact heeft met de oppositie. Met talloze verdwijningen en berichten over geweld.

Dat land, daar was ik op bezoek. Een land met veel ontzettend vriendelijke mensen, gebukt onder armoe en vrij veel angst. Nog steeds bestaan dictaturen.
Eng.