Huh, hoe laat is het?
Hmmm.
Nou, hoe laat is het, man?
Hm? Ik-eh.. Au!
Hoezo au?
Oooh, au. Ik stoot mijn voet. Waarom maak je me wakker?
Hm, hou eens op. Ik wil slapen.
Ja nou, dat doet zeer joh. Hoe laat is het dan?
Ik vraag jóu net hoe laat het is, hoor.
Dus jij maakt me wakker om te vragen hoe laat het is?”
Ach, stik.
Nou zeg. Ik kijk wel even, ik eh… o jee!
AAAAH! DOE DIE WEKKER UIT!!
Ja sorry zeg!! Ik drukte er per ongeluk op! Jij wilt toch weten hoe laat het is?
Je maakt iedereen wakker! Straks maak je Tim en Annemarie nog wakker!
Tuurlijk, om drie uur ’s nachts. Die liggen er net in, joh.
Och jij bent echt onmogelijk!
Och, ‘k weetniet. Onmogelijk vind ik mezelf niet. Nou we toch wakker zijn wil ik wel een kusje bijvoorbeeld.
Nee, ik wil slapen. En ik heb rugpijn. Bovendien stink je uit je mond.
Stink ik uit mijn mond?
Ja. We moeten eerst onze tanden poetsen als we gaan vrijen, anders vind ik het vies. En ik ga nu geen tanden poetsen, middenin de nacht. Dan maken we de kinderen wakker. Je krijgt dus geen kus en we gaan dus slapen.
Nou dan geef je me toch geen kusje, dan kom je lekker bij me liggen.
Nee hoor, ik heb rugpijn zeg ik toch. Bovendien ben je veel te zwaar de laatste tijd.
Dus ik stink én ik ben te zwaar?
Ja, eigenlijk wel.
Oh, bedankt.
Ja nou, je begrijpt me toch wel. ’s Nachts stinken we naar het bed en bovendien heb ik rugpijn en ben jij heel zwaar. En je bent morgen toch de hele dag onderweg met vergaderingen. Snap dat dan. Hè, hou nou es op. Bovendien was Tim net al een beetje wakker en die moet morgen de hele dag naar college.
Ja, ja. Dat is ook zo, die vergaderingen. Ik moet al om zes uur op. Dan kunnen we beter weer gaan slapen dus.
Ja, welterusten.
Ja, welterusten.