Onderbuikgevoel

21-10-19. De ambulance rijdt. De gele taxi. Door het kleine raampje glijden boomkruinen voorbij. Groene rookwolken zijn het, komend uit mijn buik. Ze vullen het hele voertuig als een groen gif. Hobbels in de weg als kraters, gemaakt door stratenmakers als martelende scheppers. Ik gil van de pijn. Ik kijk haar aan, hulp zoekend tegen de verzengende scheuten. Ze lacht heel lief en ramt een injectienaald diep mijn arm in. Ik gil weer. Zweetlucht vermengt zich met een vreemde geur van hygiëne, ter voorkoming dat je ziek word. Maar ik ben het al. De lucht kleurt zwart.

Het ziekenhuis. Als de hemelpoort zwaaien de achterdeuren van de ambulance open en een zee van kunstlicht stroomt naar binnen. Vlammen dringen mijn hoofd binnen, mijn ogen knijp ik een beetje dicht. Huiverend richt ik mijn hoofd op. Is dit het laatste oordeel? Nee, mijn brancard gaat over betonrichels naar binnen. Ik hou mijn buik vast, een nooit meer stoppende wee splijt mijn lichaam doormidden. Dan komen de injecties.

Ik word wel suffer en staar kreunend in het niets. De verpleegkundige heeft haar op haar hoofd, maar haar gezicht is getekend door Yrrah. Als een engel des doods pompt ze buizen vol morfine mijn lichaam in. Telkens weer. En daarna weer. Weer en weer. Mijn hoofd explodeert. Transcendent zweef ik boven mezelf en zie lange naalden, ampullen en slangen. Mijn buikpijn zweeft alleen wel met mij mee. Ik glij langs de muren, de kamer danst. Ik smijt mijn buik tegen het donkere plafond maar de pijn raak ik niet kwijt. Het druipt langs de muren. De vloer vult zich ermee, mensen staan tot hun enkels in mijn pijn. Ik zweef, ik duik, ik val. Ik val in de duisternis. Ik zie schaduwen in groene jassen die zich over mij buigen. Vaarwel, wereld.

Stil is de ruimte daarna. Ik wil bewegen maar voel een enorme slang uit mijn lichaam steken. Een groteske bloemstengel alsof mijn buik bloeit. Mijn buik bloedt. Het doet pijn. Ik voel me assimilated, resistance had ik al niet meer en ik geef me over aan hogere machten. Zo zweef ik weer de kamer uit, het bed golft. Ik dobber kreunend.

Maar dan ben ik meer wakker. Ik kan praten. De monsters zijn weg. Schichtig kijk ik om me heen, maar ik ben terug op aarde. Ik lig in een bed en een mevrouw stelt mij vragen. Ik kan praten. Ik kan antwoorden. Ik adem, ik leef dus. Maar die slang, die verbinding naar buiten, het voelt alsof ze me leegzuigen. Ik verschrompel in het grote bed. Een implosie door afgevoerde lichaamssappen. Als ik doodstil lig voel ik niets. Ik lig doodstil.

Dat bed mag naar een andere kamer. Ze duwen en trekken het lange gangen door. Verlaten binnenwegen, steriel, stil. Het bed zoeft, met een piepend wiel aan de achterkant. De bocht om, de poort door. Een lange groene gang met kamers vol mensen met buikpijn. Stil, voor dood liggend zoals ik, of kermend. Ik denk dat die hemelpoort niet echt was. Dit is hel op aarde. De lucht vult zich met braaksel. Kokhalzend strompelt een man voorbij. Achter in de gang krijst een vrouw. En door alles heen die monotone grondtoon van pijn, een baseline van verrotting. Kamers vol, links rechts voor achter. Iedereen is ziek. Iedereen.

Weer ben ik wakker. Langzaam word het licht geler. Zachter. Zie ik gezichten in plaats van misvormingen. De gordijnen zijn open en daglicht stroomt naar binnen. Mensen komen en gaan in de kamer. Ze brengen voedsel en medicijnen. Ik voel een bemoedigende hand op mijn been. Langzaam, heel langzaam, verslapt de totale kramp die mijn lijf in zijn ijzeren greep houdt. Ik kan me nog nauwelijks bewegen maar die beginnende rigor mortis kruipt langzaam weg onder het bed. Hij gluurt nog wel naar me en dan beweeg ik expres. Maar die slang uit mijn lijf; we are The Borg.

Dan mag de drain er eindelijk uit. Iemand begint eraan te trekken en het lijkt alsof er twee meter materiaal in mijn lichaam zit. Vanuit de catacomben van mijn bekken voel ik een beweging en ik gil weer. Maar gillen mag. Je hoort het meer op de gang. Het licht is wel mooier en de gezichten liever, maar de geluiden om me heen blijven uit de onderwereld komen. Uitgeput lig ik op bed. Mijn buik voelt leeg nu. Ik heb nog maar een slang aan me zitten; de infuuskoppeling in mijn hand voor de antibiotica. Het lijkt op een wearable, een shotgun die me in elke game ver kan brengen.

Ik mag lopen. Ik mag eten. Ik mag poepen. Als de eerste troep zich een weg vreet naar buiten tril ik van top tot teen en vermengt zweet zich met een zieke lucht. De beweging in mijn lichaam is ongecontroleerd en voelt zoals de drain die eruit mocht. Jankend trek ik door, simpele menselijke dingen zullen na deze ervaring nooit meer hetzelfde zijn.

En dan vloeit de pijn langzamerhand. Is nooit weg, maar deint mee met mijn buik. Ik strompel over de groene gang. Ik moet bewegen voor de genezing. In mijn onderbroek. Niemand let erop en ik kan niet anders. In de spiegel tel ik vierentwintig metalen hechtingen. Een litteken van bijna dertig centimeter. Als Frankenstein waar ik rond, bijeen gehouden door nietjes. Als ik val dan spat ik uit elkaar op de vloer.

De chirurg die mij redde komt langs. Ze is trots op mij. Ik hoefde geen stoma en ik herstel zo snel. Ik voel me een held. Patiënten krijgen weer gezichten en worden minder eng. Ik praat met ze. Ze drukken mij de hand, dankbaar voor de aandacht zodat hun monsters ook verdwijnen. Pijn verbindt. Ik zie de verpleegkundigen weer als verpleegkundigen. Het zijn mensen, en dan van de echte soort. Nagenoeg zonder rust lopen ze langs alle bedden en helpen iedereen. Zonder ophouden. Het is niet de hel op aarde. Het zal ook niet de hemel zijn maar misschien een voorportaal. Voor sommigen is dat trouwens ook zo. Als je het mag verlaten, zoals ook voor mij die dag kwam, zie je het als een oase van zorg en veiligheid.

Naar huis. De zorgfabriek draait door. Ik ben hier klaar. Langzaam loop ik de laatste keer over de gang, nu met mijn broek aan, maar kijk toch nog even achterom of ik geen nietjes verlies. Maar ze zitten stevig vast. Ik wil iedereen bedanken, omhelzen. Ik wil trakteren. Van chirurg tot stagiair, van fysiotherapeut tot diëtist, van schoonmaker tot etenbezorgster; iedereen, maar dan ook iedereen, is hier gericht op zorg. Maar ze zijn zo druk met zorgen en zoeven langs me. Langzaam loop ik naar de uitgang.
 

 
Met dank aan Martini Ziekenhuis te Groningen, voor de niet aflatende hulp op weg naar herstel na een gescheurde darm en buikvliesontsteking. Helden, die mensen in de zorg.