Onderweg

Als de vakantie in Frankrijk ten einde is en de roodverbrande optocht noordwaarts toogt, blijken bilspieren en vechtende kinderen op de achterbank de lange reis niet te kunnen volbrengen in één lange ademtocht. Ergens in het uiterste noorden van Frankrijk komt de karavaan tot stilstand.

De lokale middenstand vaart er wel bij. Plaatselijk dichtbevolkte tankstations en eetgelegenheden doen een Nederlandse enclave vermoeden. Blij zijn de autochtonen daar echter allerminst mee. Staand tussen op vingers fluitende en schreeuwende, zwaar getatoeëerde landgenoten, wier kledij een uitverkoop van de Franse Zeeman aan de Middellandse Zee doet vermoeden, en het spoor van vervuiling uit lichaam en boodschappentas bekijkend, snap ik dat wel. Minzaam worden klanten geholpen, zoveel mogelijk gebruikmakend van de eigen, zangerige taal.

In een marmeren hal van een hotel in een uitgestorven plaats met een romantische klank, valt mij diezelfde minzaamheid ten deel. Niet eens onvriendelijk eigenlijk, zoals wij harde Edammer kaaskoppen elkaar kunnen bejegenen. Nee, het is meer een Brie of Camembert, wat zachter van binnen. La douce France, immers.

Hotels varen natuurlijk ook wel. Zeker gezien de prijs die ik voor twee kamers moet neertellen, met achterlating van creditcardnummer bovendien. Maar na het steeds sneller door-racen van oude dorpjes zonder hotel of een volle variant, komt hier een einde aan dit Noord-Franse stratencircuit. De kinderen meesmuilen en de honger zit tot in de haarwortels, zodat ik mijn vrouw aankeek met een ‘Nou ja, dan hier maar in vrédesnaam!’ Haar schouderophalen maakte de keuze definitief.

Er staat een man met baardje achter de balie. Het in onzwang geraakte pommademerk Brilcream heeft hij rijkelijk op de haren aangebracht. Hij overhandigt me plastic sleutelkaartjes en uit het koeterwaals maak ik op dat we een trap moeten beklimmen en dan linksaf moeten. Mijn zoons stormen vooruit, luid klossend door de gang, die voorzien is van vale vloerbedekking omdat het geld voor nóg meer marmer op bleek.

Na het betreden van de kleine kamers treft het onvergevingsgezinde TL-licht me onaangenaam hard. Een der zonen staat al in de douche, maar trok de glazen deur uit de hengsels, zodat ik met een rood hoofd, onder het zorgvuldig verkregen en betaalde zeebruin, enig reparatiewerk verricht.
‘Ik deed het niet expres, pap.’

Het eten geschiedt in een hoekje dat over was, met tafels en stoelen die het goed doen voor de kinderen, maar mij bijna achterover doen tuimelen. Negenhonderd kilometer sturen op de drukke tolwegen deden me al vrij wankel het etablissement betreden. De kinderen lachen evenwel, mij als een boer met kiespijn portretterend.

Dat honger rauwe bonen zoet maakt staat waarschijnlijk in bladerdeeg aan de wand in de keuken. Als Broer Konijn met lange tanden eten we dit galgenmaal van fletse vleeslapjes en frieten als stengels van dode tulpen. Dat het einde van de vakantie morgen definitief is draagt natuurlijk ook niet bij aan de feestvreugde. Een gegeven dat we thuis nader moeten onderzoeken, aangezien eigenlijk het reguliere leven, zij het niet dagelijks misschien, een vakantiegevoel moet schenken.

Terug op de kamer blik ik nog naar buiten. De wind giert om de bocht en een groot stuk plastic warrelt door de straat. Ik waan me in een film van Sergio Leone.

We nemen elk een kind op de kamer. De deur van de kamer van mijn vrouw wil maar niet op slot, ook niet na honderddertig pogingen, het licht wil niet aan en vervolgens niet uit, het bed blijkt geschikt voor dwergen met ruggenwervels van beton en op de verdieping boven ons oefent men polka’s, waarbij de dichtslaande deuren de maat aangeven.

Nee, die vakantie is voorbij, morgen zijn we lekker weer thuis.
O ja, en volgend jaar, dan rijden we lekker door.