Oogcontact

Je kijkt me zo intens aan dat je me bijna fysiek aanraakt met je ogen. Je oprechte en volmaakt onbedorven blik klampt zich aan mij vast. De rest van je kleine gezicht is bedolven onder slangen en het kapje op je neus.

Heel langzaam verandert je blik, zo vol vertrouwen. Om de hoek verschijnt er twijfel, die snel middenin beeld komt. Je kijkt me nog doordringender aan, alsof je me met je matblauwe kijkers vraagt wat er aan de hand is. ‘Dit hadden we niet afgesproken. Kapje op de neus en even slapen, dat had je me geleerd’, zegt die blik.

Ik kijk zo open en lief mogelijk terug en probeer alle vertrouwen in de visuele band te leggen. Mijn stem is rustig, als ik met hele kleine zinnetjes tegen je praat. Alle energie die ik heb leg ik in mijn ogen. Het zweet staat een centimeter dik op mijn voorhoofd en ik voel het shirt aan mijn lichaam plakken.

Onze blikken versmelten. Jij bent mij en ik ben jou. Ik voel de snel opkomende angst als een exploderende vulkaan uit je ogen komen. Wild kijk je me nu aan. Je doorboort mijn blik met een oerangst die me bij de strot grijpt. Je neemt me mee naar de afgrond waar je inkijkt. Ik voel een rilling langs mijn ruggengraat lopen. Maar het duurt niet eens een seconde.

Dan zakken je oogleden tot halverwege en staar je langs me heen. Ik geef je nog een kus en dan word ik weggeleid en afgevoerd naar de naastgelegen kamer. Leeg zit ik op een stoel en hoor maar half het verhaal van de zuster.

Wachten duurt zo lang, maar eindelijk ben je weer terug en word je al een beetje wakker. Bijna het einde van een dagje ziekenhuis. Een dag dat de wereld zo klein wordt als een kamer, waarbij alles om je heen voortraast en je zelf stil staat.