Op de fair

De Country Lifestyle Fair was landelijk gelegen en ik tufte erheen. Samen met mijn gezin. Na wilde klussen met dito gereedschappen, netwerk- en sportevenementen en een teveel aan werkactiviteiten in privé-uren (het onderscheid is er blijkbaar) was het tijd voor een gezinsuitje. Het werd de fair, meer stoelend op de wens van mijn vrouw dan die van ons, mannen.

Mijn zoons stormden de auto uit, maar raakten vrijwel onmiddellijk verstrikt in een omvangrijk en opbollend gewaad ener forse vrouw. Een geaffecteerd protest noopte reeds tot de eerste excuses mijnerzijds en een quasivermaning richting mijn zoons, die mij met wijd geopende mond uitlachten.

Ronddrentelend op de fair merkte ik dat de beoogde doelgroep voornamelijk bestond uit vrouwen die bezig waren met zingeving tijdens hun vijfde decennium. Voor de kinderen was een meneer ingehuurd die je gezicht schminkte, maar het leek wel of alle vrouwen ook ’s mans kunsten op het gelaat droegen. Gewaden en pakjes waren opzichtig, bij een enkeling nog wervend. Allen hadden echter een ding gemeen; het achteloos vasthouden van een glas wijn.

Gesproken werd over de inrichting van huiskamers en serres. Bordjes voor aan de muur, kandelaars met exorbitante vormen en geurzakjes werden aangeschaft.
‘Ik ga u een folder geven!’ baste een vrouw dominant, waarbij ze dreigend op mij afkwam, met in de gebiedend uitgestoken hand een pamflet van dubieus allooi.
Mijn zoons keken mij verwachtingsvol aan en na een blasé ‘Nee dank u zeg’ maakten wij ons lachend rennend uit de voeten.
‘Affreus,’ hoorde ik nog in mijn oorhoek.

‘Meneer is een wijndrinker!’ schalde een man met net zo’n rood gelaat als ik. Ook hij kwam in stevige passen op mij af, mij een gevulde kelk aanreikend. Andermaal haastten wij ons naar een goed heenkomen; de toiletten, waar onze grappen zo mooi nagalmden tussen de tegels. En aangezien ik de jongens een ijsje beloofd had namen we plaats op een terrasje. Maar na het zien van de achteurovijftig per sorbet raakten we in debat over het nakomen van beloftes. In uiterste verzuchting viel mijn oog op een uithoekje van de fair. Een klein kraampje met etenswaren.

De eigenaars stonden er wat displaced bij. Mensen die geen Nederlands spraken en zich vergaapten aan het pompeuze etaleren der middelbare dames en het ‘verdomd geschikt zijn’ van de enkele vergrijsde heer. Ze boden ons een voorproefje van loempiaatjes en kebab. We bestelden alsof we enkele weken niet hadden gegeten. Etend op een bankje grapten we nog over dure veldboeketten, die honderd meter verderop gewoon in het weiland stonden. Gearmde dames keken neer op onze boerse pret, zeker de veel te luide van mijn zoons.

Daar kwam mijn vrouw. Gelukkig zonder bordjes voor aan de muur, kandelaars met exorbitante vormen of geurzakjes.
“Waar waren jullie nou?’ vroeg ze, wat verbolgen. Het was immers een gezinsuitje.
Maar wij hadden genoeg en in een walm van eau de cologne renden wij uit dit tafereel van Louis Quatorze.
‘Dat was leuk hè pap?’ riep mijn zoon.
Ik dacht even aan de verregaande decadentie van deze mensen en de zo contrasterende verregaande onschuld van mijn zoon, aan wie het allemaal voorbij ging, zonder aanziens des persoons. Gelukkig bracht Arnon Grunberg uitkomst:
Een betere definitie van decadentie luidt: de onmogelijkheid om nog een grens te overschrijden.