Opa

Voor de viskraam eet ik het visje op, aan een van die Duitse biertafels die het ook hier zo goed doen. Nog maar net heb ik de eerste graat tussen de kiezen vandaan gepeuterd of er nadert een zwaar betatoeëerd gezin, voorzien van opa.
Opa heeft het enige kind op de arm, gelukkig zonder tatoeages. Opa’s kleinkind. En dat zal het weten ook.
‘Kijk eens effe jongen, wat liggen daar? Vissies! Daar liggen vissies. Allemaal vissies!’

Opa’s volume is nog zeer kras, met een onvervalste Amsterdamse tongval. Ik verslik me en dwars door mijn gekuch heen bestelt de vader schielijk een haring:
‘Een harinkie, asjeblieft,’ lummelt hij.
‘Hier een vissie. Daar een vissie. Kijk, vissies. Allemaal vissies!’ galmt opa, met het kind nog steeds op de arm, wild heen en weer lopend voor de uitstalling van geopende vissenbekken.
‘Wat zegt u, meneer?’ vraagt de mevrouw van de viskraam aan vader.
‘Allemaal vissies,’ reclameert opa nogmaals.

Ik wens opa inmiddels een vissie toe op onwelvoeglijke plaatsen.
‘Een harinkie,’ zegt vader nogmaals. Slapjes.
‘Heb je hem al op? Ik heb er ook al een op,’ mengt ook moeder zich in de strijd.
‘Ja, u hebt er al een betaald hoor,’ zegt de mevrouw van de viskraam tegen de vrouw.
Huwelijkse voorwaarden noemen ze dat geloof ik. Je betaalt je eigen nering blijkbaar.

Achterin de viskraam staat de visboer. Hij heeft niet eenmaal opgekeken en routinematig maakt hij het ene na het andere harinkie schoon. Zijn blik kijkt ver langs ons heen, ver langs het oppakken van de viskraam, het uitmesten ervan en het moeizaam in de fauteuil wegzakken met een kop koffie op een schoteltje. Hij is ook opa, zo te zien aan de vergeelde kiekjes van kleinkinderen tegen de betegelde achterwand van de viskraam.

‘Opa, kijk, vissies!’ hoor ik de kleinzoon opeens. Ik kijk weer naar rechts en zie hem inmiddels naast opa staan.
‘Effe je bek houwe jongen. Niet zo gek doen. Opa is effe aan het ete!’ schreeuwt opa met de mond vol haring.
Kleinzoon houdt beteuterd het mondje.
‘Ja en let nou op dat kind,’ vindt opa verder nog. Hij gebaart zeer krachtig tegen vader, die inmiddels een vraagteken probeert uit te beelden met zijn gestalte.
‘Ja let nou op. Hij loopt zo weg! Hij is heel snel. Pak hem nou man!’
Opa verliest zichzelf bijna en brokken haring vliegen uit zijn mond, voor de viskraam langs. Ik vind ook dat de vis naar snot smaakt, maar dít lijkt me zeker geen goede reclame.

Het effect van de ommekeer van opa is zó dramatisch dat zelfs de visboer opkijkt. Ik kijk hem even recht aan. Ik moet lachen. Maar het incident is te luttel om hem definitief uit zijn gemijmer te trekken. Na de korte onderbreking van het opkijken vervolgt hij de schoonmaakwerkzaamheden aan de haringen. De trein haperde even op een wissel, maar rijdt weer.

Opa neemt het kind weer op de arm en houdt met de vrije arm alle verkeer tegen als de familie oversteekt. Lang kijk ik ze na. Ik maak aanstalten om te gaan.
‘Dag meneer,’ klinkt het opeens zeer helder uit de visboer. Verheugd kijk ik om, hij is toch ontdooid!
Maar ook de groet blijkt routine. Zijn blik verschilt niet van de vele dode vissenogen die hem omringen. Bij het zien van al die dode blikken voel ik een lichte peristaltische storing opkomen en haastig vertrek ik.

Bij de auto zie ik op enige afstand opa ruzie maken met een andere opa over welk kleinkind nu als eerste op de schommel mag. Opponent-opa heeft de sweater om de schouders en is de vaste oppas. De gemoederen lopen hoog op. De kleinkinderen zelf staan er maar overbodig bij.

M’n opa, m’n opa, m’n opa. Niemand zo aardig als hij, verzekerde een triviaal liedje ons lang geleden. Vandaag zag ik het even niet.

 

image35