De gang was lang. Hij zat alleen. Heel in de verte hoorde hij stemmen. Blijkbaar werd er een grap verteld, want de stemmen produceerden opeens hartelijk gelach. Hij zuchtte en ging verzitten. Met de ellebogen steunde hij op zijn knieën, precies zoals hij altijd op de wc zat.
Langzaam verstomden de stemmen in de verte. Hij zat stil, heel stil. En hij was leeg, heel leeg. Een ondoordringbare mist zat in zijn hoofd. Een hoofd vol watten. Zijn blik gleed verdwaasd langs de lege stoeltjes. Hij wist eigenlijk niet eens goed hoe lang hij hier al zat te wachten. Hij wist eigenlijk niet eens goed waar hij was. Vaag herinnerde hij zich het glimmende zwarte hek. De warmte.

Hij schudde met zijn hoofd. De mist kwam in nog dikkere vlagen opzetten. Apathisch begon hij weer om zich heen te kijken. Hij zat in een wachtkamer, zo leek het. Een lege wachtkamer. Het allesoverheersende licht was onerbarmelijk. Het was laat. En het was donker. Hij probeerde door de ramen naar buiten te kijken, maar zag alleen zichzelf weerspiegelt in het grote donkere glas.

‘Meneer?’
Hij schrok niet eens. Traag keek hij op en zag een meisje in een wit uniform. Hij keek naar haar schoenen. Het waren platte stappers. Degelijke schoenen. Op een van de schoenen ontbrak een gesp.
‘U wacht op dokter Mulder?’ zei ze blijmoedig.
‘J-Ja,’ mompelde hij zacht.
‘U kunt meekomen hoor,’ glimlachte ze.
En monter begon ze voor hem uit te lopen. Hij liep al enige meters achter haar aan toen hij bedacht dat zijn jas nog op een van de stoeltjes lag. Kennelijk werkte zijn hoofd toch nog enigszins. Hij sjokte terug en hoorde aan de voetstappen, die nu achter hem waren, dat de zuster het in de gaten had en bleef staan. Toen hij op de terugweg was, nu met jas, kreeg hij nog eenss een vriendelijke glimlach. Hij keek haar maar een fractie van een seconde aan.
Ze wachtte geduldig tot hij bij haar was en dat duurde voor zijn gevoel heel erg lang.
‘Komt u maar hoor, hier is het.’
Ze opende de deur waar ze inmiddels voor stonden. Ben mocht het eerst naar binnen. Hier was het dus.

Achter een bureau zat een man te schrijven. Hij had een witte jas aan en hij zag er eigenlijk vrij streng uit. Hij was ook een stuk ouder dan het lachebekje dat hem ophaalde.
‘Zo, komt u maar zitten, het gaat niet zo goed met u geloof ik hè?’ zei dokter Mulder.
Hij schudde zijn hand. Nee, het ging niet zo goed met hem. Hij luisterde half naar de uiteenzetting van dokter Mulder. Hij voelde zich bekeken onder de scherpe blik van de man en draaide zich half van hem af. Even dacht hij zelfs aan opstaan en wegrennen.

‘En daarom lijkt het me toch beter dat u een paar dagen onder toezicht wat bijkomt gezien uw toestand,’zei dokter Mulder inmiddels, ‘hoe vindt u dat?’
Hij vond in het geheel niets. Hij keek naar de dokter, zoals een hondje op een hoedenplank in een vervoermiddel van weleer. Zijn hoofd schommelde licht.
‘Nou goed dan,’ bezegelde dokter Mulder. U wordt vervoerd naar gebouw 5b, ze wachten daar op u.’
Er ontsnapte hem een lange, sissende zucht.

Een energieke jongeman liep snel door de lange gang voor hem uit. Hij pakte een grote bos sleutels en zocht de goede om de deur te openen.
‘Komt u maar mee, we hadden u al verwacht,’ zei de energieke jongeman tegen hem, met een verrassend rustige stem.
Hij bromde wat en volgde de jongeman, die nu aanzienlijk rustiger liep, naar een kamertje aan het eind van de gang. Voordat hij de kamer betrad zag hij nog juist een hal met een tafeltennistafel in het midden.
‘Het is hier kennelijk gezellig,’ dacht hij somber, maar dacht tegelijkertijd aan de secure wijze waarop de flukse jongeman de voordeur weer had afgesloten. Opgesloten zat hij nu dus.

Hij zat stil in het kamertje. Waarom werden zulke kamertjes toch standaard voorzien van zo’n verschrikkelijk verzengend licht? Hij knipperde met zijn ogen tegen het felle licht. Het liefst zou hij nu in een donker, schemerig hol zitten.
Het wachten duurde lang, voor zijn gevoel zat hij er uren en zijn hoofd zakte wat scheef. Eindelijk ging de deur open en een lange vrouw met donker lang haar kwam het vertrek binnen. Ze zag er ernstig uit en stelde zich voor als dokter de Bruin. Ze gaf hem geen hand. Onder haar arm had ze een stapel papieren die ze op de tafel legde. Ze vroeg of hij wat wilde drinken. Hij schudde zijn hoofd.
‘Nou, dat is ook wat met u, hè?’ zei dokter de Bruin, ‘u wilde niet verder, begreep ik? Dat is niet zo mooi. U weet waar u zich bevindt toch?’
Hij ontweek de ogen van de dokter en zei tegen de muur:
‘Het heeft geen zin meer. Ik zie het gewoon niet meer zitten, ik ben alles kwijt, begrijpt u? Ik ben nu alleen en dat zal betekenen dat ik…ik nooit meer…’
Hij stopte. Hij zat in het plafond en keek neer op zichzelf. Zag zichzelf vertellen. Dit was hij toch niet? Dit was niet echt. Wat een belachelijk verhaal.
‘Rustig maar hoor,’ zei dokter de Bruin monter, ‘u krijgt aanstonds wat medicatie hoor. U wordt daar wat rustiger van. U merkt er verder niets van. Daarna zult u zich een stuk beter voelen.’
De dokter stond op en kwam op hem af.
Er kroop kippenvel over zijn rug. Het begon laag bij zijn billen en het kroop langzaam naar zijn schouders. De kamer draaide een beetje. Hij zei wat in zichzelf en het leek alsof hij in een hol vat zat en zijn eigen stem klonk hol. Hij keek om zich heen en merkte dat de randen van zijn gezichtsveld zwart waren. Hij kon niet goed kijken. Een hinderlijke zwarte kring zat rond zijn ogen, waardoor het leek of hij constant door een tunnel keek. Zijn blik was glazig.

Het kamertje was ongeveer drie bij vier. Tegenover de deur was een klein raampje. Aan de lange wand stond een bed met een metalen frame. Aan de andere wand stond een kast. Naast de deur bevond zich een wastafel met spiegel. Hij dacht dat een gevangeniscel er wel net zo uit zou zien.
De pillen begonnen te werken blijkbaar, want hij voelde wat minder paniek. Een bepaalde hoeveelheid van een grondstof wat aanpassen en de chemo-elektrische fabriek deed de rest en je voelde je wel lekker. Hij voelde hoe de hoekige pijn in zijn geest afnam. Zijn gedachten begonnen te kabbelen. Onwezenlijk staarde hij naar het plafond.

Uiteindelijk stond hij op en liep naar het raampje. Als hij op zijn tenen stond zat het op gelijke hoogte met zijn hoofd. Veel uitzicht was er niet. Het raam kon maar een klein stukje open en dat kostte hem veel moeite. Door de kier in het raam keek hij naar een boom. Heel lang keek hij. Door de smalle opening blies koude wind hem in het gezicht.
Er werd zacht op de deur geklopt en een man met sterk behaarde armen trad binnen.
“U kunt wat eten,” zei de man slechts, met een onverwacht zachte stem.

Hij nam plaats aan de tafel in de hal. Er was nog maar een plaats over. Ze waren al zonder hem begonnen zeker. Rechts van hem zat een lange man met zwart, vettig haar. Hij schrok van de volslagen leegte in de ogen van de man. Zijn bruine tanden staken zover vooruit dat zijn mond niet goed dicht kon. De man maakte ongearticuleerde geluiden.
Tegenover hem zat een meisje met een lijkbleke gelaatskleur. Ze tastte naar het brood toen de lange man dat ook net deed. Hun handen raakten elkaar. Het moment was heel kort, maar beiden sprongen zo hard van tafel dat stoelen, borden, bestek en broodbeleg op de grond kletterden. Alle patiënten sprongen op. Sommige mensen krijsten.
Uit het kantoor kwamen meer mannen in witte jassen. Het ontbijt was ten einde. De lange man werd meegenomen. Het meisje ging languit op de bank in de naastgelegen ruimte liggen.
Hij had nog geen hap gehad en tijdens de commotie was hij roerloos blijven zitten. Hij kokhalsde, maar niemand zag het. Loom stond hij op en slofte terug naar de kamer van vier bij drie. In de gang klonk een hoge schrille lach.

Op de bovenste plank van de kast lag een zakje met mintgroene pilletjes. Hij had ze zorgvuldig gespaard door net te doen alsof hij de pilletjes innam. Hij leegde het zakje in een keer in zijn mond en spoelde het weg met wat water. Toen ging hij op het bed liggen. Langzaam gleed zijn hand naast het bed en raakte de grond. In de verte klonk muziek. Hij lag doodstil op het bed, glimlachend.

Plotseling ging het licht aan. Het was zo fel dat een allesverzengend wit hem omringde. Hij hield zijn handen voor zijn ogen. Voorzichtig keek hij verbaasd om zich heen. Het was zo licht! Hij lachte hardop. Waar hij ook keek, overal zag hij witte muren op een witte vloer. Hier en daar lag een soort sneeuwpoeder. Uitgelaten begon hij te springen. Hij gleed uit en kwam ruggelings op de sneeuwpoeder terecht. Hij proestte het uit van het lachen. Euforisch begon hij te rennen. Gillend. Schreeuwend. Schaterend.
Hij viel opnieuw. Hard. Voorover, met zijn gezicht op de vloer. Duizelig kwam hij langzaam overeind, maar verstijfde plotseling. De lach bevroor op zijn gezicht. Hij schrok zo erg dat zijn lichaam bibberde en zijn benen het begaven. Hij zakte door zijn knieën.
Ze deed nog drie stappen naar voren en hielp hem overeind. Volledig van de kaart staarde hij haar in het gezicht. De tranen liepen hem over wangen. Schokkend, en met lange uithalen huilde hij. Hij hing tegen haar aan, zijn hoofd op haar schouder. Haar lange haar viel over zijn gezicht. Ze hield hem stevig vast en streelde zijn wang.
Hij kon niet meer stoppen met huilen. Heel lang stonden ze daar, tot hij eindelijk bedaarde. Nog steeds hadden ze niks gezegd, elkaar vastklemmend, om nooit meer los te laten. Ze glimlachte naar hem en kuste hem op het voorhoofd. Hij keek naar haar mooie gezicht, waar geen pijn meer op te zien was. Ze was zo kalm, zo mooi, zo perfect. Er gleed een lieve lach door haar ogen, heel intens. Hij verdronk in die lieve lach, die hij bijna vergeten was. Toen werd alles nog feller en witter dan wit en ze werden er door opgezogen. Hoger en hoger zweefden ze, in een eeuwige verstrengeling.

Hard geschreeuw schrok hem wakker. Hij voelde hoe hij heel stevig werd beetgepakt. Ze sloegen hem op de rug en in het gezicht. Hij kokhalsde in doodsangst. Hij voelde overal braaksel. Hij vocht als een leeuw tot alles zwart werd.

Toen hij zijn ogen weer open deed keek hij uit over een besneeuwd grasveld. Hij glimlachte. Dat er opeens zoveel sneeuw kon vallen. Hij draaide zich om in het hoge bed. Hij zag de behaarde verpleger naast het bed zitten. De man kwam half overeind, maar ging weer zitten. Hij voelde een golf van misselijkheid. Hij kneep zijn ogen even stijf dicht tot het draaierige gevoel verdween.
Hij keek weer naar buiten en zag voetsporen op het besneeuwde veld. Het leek of iemand gesprongen had en rondjes had gelopen en een paar keer was gevallen. Een tweede spoor kwam vanuit de mist in de verte samen met het eerste spoor.

Zijn nek verstrakte. Een felle pijn trok door zijn maag en hij kromp ineen. De tranen sprongen weer in zijn ogen en heel even meende hij dat er een vrouw vanaf het veld naar hem zwaaide. Ongeduldig wreef hij de tranen weg. Zou het dan toch?
Maar toen hij weer keek zag hij alleen het lege, ongerepte, besneeuwde veld.
Hij gilde.