Argeloos stap ik het bejaardentehuis binnen. Op de eerste verdieping huisvest de organisatie die bevoegd is om mijn lichaam op legale wijze wat buisjes bloed te ontnemen. En dat is blijkbaar nodig, want de huisarts wil iets controleren.

Ik zwaai energiek de deur open, maar stok onmiddellijk, mijn adem spontaan inhoudend. Hoewel het te verwachten was misschien sta ik oog in oog met een grote groep bejaarden en dat verrast me even. Een aantal mensen kijkt mij welwillend aan, maar ik zie ook vele ogen die mijn blik als onbestelbaar retourneren. Leeg, flets en starend.

Het is mij direct duidelijk waarom de bloedzuigers zich hier huisvestten. De opkomst is gigantisch en de gemiddelde leeftijd ligt zo hoog dat ik de jongste ben in het gezelschap.

‘U moet wel een nummertje trekken!’ krijst een fragiel wijffie met schelle stem. Ik heb haar blijkbaar beledigd met mijn onbezonnen binnenkomst, waarna ik al op weg was naar de laatste lege stoel in de rij.

Ik brom wat en slof terug naar een kaartjesautomaat, die zeer verdekt staat opgesteld, het nummertje tot mij nemend. Ik hoor instemmend gemompel.
Blij dat de kwestie naar tevredenheid is afgedaan ga ik weer op weg naar de eerder beoogde stoel. Een andere opoe oppert halfzacht een rake opmerking in zwaar dialect. Het ontlokt de helft van de groep ingetogen gelach. Ik ben blijkbaar grappig.

Met een plof ga ik zitten en mijn ogen dwalen langs de lange rij zittenden. Een aantal hebben de pret nog in de ogen van de grap in het dialect. Ik ben wel blij dat ik deze mensen wat plezier kon gunnen.

Langer blijft mijn blik kleven aan de personen die het kleine voorval totaal is ontgaan, de mensen die mijn eerdere blik al blanco beantwoordden. Het zijn er best veel. Velen in een rolstoel. Zitten. Kijken. Meer staren eigenlijk.

De stilte is ook terug in het zaaltje waardoor luidruchtige en moeizame ademhalingen scherp tot mij doordringen. Ik probeer mijn eigen ademhaling mooi laag te houden, maar het hijgconcert heeft duidelijk invloed op me.
Wat benauwd sta ik op en loop even naar buiten, er zijn toch nog wel twintig mensen voor mij. De lachers van zo-even kijken mij verbijsterd na, alsof ik met volgekakte pantalon wegstrompel.

Buiten is de frisse lucht bijna schrijnend. Fiks stap ik wat in het rond. Een half uur later keer ik op mijn schreden terug.

Er heeft een merkbare verandering plaatsgevonden in het wachtlokaaltje. De lachers zijn allemaal weg, blijkbaar waren ze zo bij de tijd om als eersten een nummertje te trekken uit de automaat. De groep leegogen is echter aanzienlijk gegroeid, menselijke planten in verrijdbare potten.

Ik zit nog een tijdje. Het is erg stil nu, op het tikken van de verwarming en de eerder genoemde krachtige ademhalingen na. Ik voel me verzeild geraakt in een surrealistisch, kafkaësk toekomstbeeld en vraag me af of deze wezens met lege blik nog mensen in hun periferie hebben die nog om ze geven. Slachtafval bij de slager, achtergelaten door mensen die zelf niet in de gaten hebben dat ze op een dag zelf zo oud zijn.
Ik probeer zeer vriendelijk te kijken, maar krijg nul retour.

‘Hai hai,’ zegt een breekbaar mevrouwtje, zonder aanleiding. Daarna is het weer muisstil. In de verte toetert een auto.
Een oude bibberige man draait het hoofd naar mij toe. Na enige seconden draait zijn hoofd weer in de oude stand. Er kleeft iets onduidelijks met een lange sliert aan ’s mans neus. Als ik naar links kijk zie ik een vrouw die lijkt te slapen. Een raspend geluid doet haar bloemetjesgewaad opbollen. Haar haar is erg dun en vertoont grote gaten. Naast haar zit een man die mij strak aankijkt. Ik knik naar hem maar hij ziet niks. HIj staart, zijn ogen staan wijd open en zijn vochtig.

Het zoemertje zoemt. Mijn nummer verschijnt. Bij de deur draai ik me nog eenmaal om en werp een laatste blik op de zielige groep. Verdrietig en zeer stil betreed ik het naastgelegen kamertje.

De naald voel ik amper prikken. Weer buiten is het inmiddels doordringend gaan regenen. Het tehuis is mooi gesitueerd. Door de brede, stille straat slenter ik kletsnat naar de auto.