Overwicht

Even dacht ik dat opoe in de blote kont op de fiets zat, maar mijn bril was erg vies door het zweet. Toen ze dichterbij kwam bleek dat ze een huidkleurige broek droeg. Ik prees de ontwerper, maar schudde even met het hoofd om het beeld kwijt te raken. Waarom mensen een huidkleurige broek kochten was mij overigens een raadsel. Los van het feit dat je kon discussiëren over wat huidkleurig inhield, gezien de hoeveelheid huidkleuren.

In tegenstelling tot de berichten op de televisie over bejaarden in nood tijdens hitte bleek deze mevrouw er helemaal geen last van te hebben, ondanks haar leeftijd. In ieder geval had ze er minder last van dan ik, gelet op de fluksheid waarmee ze de pedalen ronddraaide. In de hoop een koel briesje op te vangen was ik het warme gebouw, waar ik werkzaamheden verrichtte, ontvlucht. Maar aangezien ik in het centrum werkte bleek dit een utopie te zijn. De hitte bleef hangen tussen de gebouwen en ik wenste dat ik een korte broek aan had, desnoods een huidkleurige.

Ik liep de bocht om en wurmde me langs de mensen, die samenpakten omdat de weg was opengebroken. Plotseling betrad een werkman in oranje kleding het wegdek. Een gebruinde kerel, wiens lichaam geen enkele fijnbesnaardheid verried. Een lompe verschijning, een blok oranje beton, die ondanks de dikke werkkleding geen druppel zweet op het voorhoofd had staan. De opoe met de huidkleurige broek schrok dusdanig dat ze bijna met fiets en al ter aarde stortte. Ze viel half tegen de werkman aan. De fiets hing scheef. Uit de fietstas ontsnapte een bloemkool, die naar het midden van de weg rolde.

‘Heee kiek uut!’ schalde de vrouw.
‘Ho maar mevrouwtje,’ zei de bouwvakker met onmiskenbare Amsterdamse tongval. Het bouwwezen haalt liever mensen van ver omdat ze een euro per uur goedkoper zijn. ‘We hebben nog geen verkering hoor,’ voegde hij toe. Ze hing nog steeds half tegen hem aan.
‘Lukt het lopen? U kunt vast lopen,’ vervolgde de man. Het klonk wat snerend. Ik vond het wat ongepast, maar aan gene zijde van de vijftig begreep ik oude mensen steeds beter.

De vrouw stond weer op twee benen. ‘Ik wil helemaal niet lopen,’ zei ze heftig, ‘en welke idioot gaat nu midden op de weg staan!’
‘Iedereen moet hier lopen,’ begon de man, maar toen een schoolmeisje hem passeerde op de fiets was hij afgeleid en brulde: ‘Heee we gaan hier lopen!! Kun je lopen?? Ja toch? We gaan hier lopen!’ Het meisje fietste gewoon door. Hij draaide zich weer om naar de oude vrouw, maar die zat alweer op de fiets en reed in de richting waar ze vandaan gekomen was. Van afstand leek het net of ze in de blote kont op de fiets zat.

De werkman keek om zich heen. Hij stond nog steeds midden op de weg en stond er wat displaced bij.
‘Aan de kant man!’ zei een man die net zo zweette als ik. Hij botste half tegen de werkman aan. Een fietser passeerde luid bellend. Een groep scholieren liep schreeuwend voorbij, elkaar voortduwend langs de andere mensen en ook weer tegen de werkman aanbotsend. Die liep traag naar de stoep. Ontgoocheld bijna. Hij ging zitten op een vensterbank van een etalage. Hij keek wat leeg voor zich uit. Zeer lang geleden zei een Romijns filosoof: ‘Er is slechts één weg naar geluk en dat is op te houden met je zorgen maken over dingen waar je geen invloed op hebt.’

Ik lachte en stak de straat over.
Helaas verzwikte ik lelijk mijn enkel op die bloemkool.