Parkeerwinkel

In het centrum van onze hoofdstad reed ik, als provinciaal, met lede ogen over de nauwe grachten. Vruchteloos speurde ik naar een parkeerplaats. Onze hoofdstad grossiert er niet in. Althans niet in vríje parkeerplaatsen.

Ik lette niet erg goed op waar ik reed, een erg domme fout in de drukke hectiek, die Amsterdam rijk is. Zeer driftig werd ik uit de rails getrild door een luid bellende tram. Schielijk dook ik rechtsaf een zijstraat in. Het bleek de Reguliersdwarsstraat te zijn. Ik haalde vrijwel direct opgelucht adem, omdat een luidkeels bord een parkeergarage aankondigde, met de zaligmakende tekst Vrij erop vermeld.

Nu bleek de euforie nogal prematuur. Je treft het wel vaker. Om de parkeergarage in te komen moest ik capriolen uithalen met mijn auto, die menig rijinstructeur niet zou evenaren. Terwijl het formaat van het door mij bestuurde karretje toch alleszins redelijk is te noemen. Ook moet opgemerkt worden dat Amsterdammers, die deelnemen aan het verkeer, even talrijk als ongeduldig zijn. Luid toeteren deed mij overmoedig gas geven, hetgeen mij bijna een spatbord kostte. Maar toen stond ik toch binnen. Nipt, voor een slagboom van klein formaat.

Een moeizame man hees zich uit een fauteuil, die allesomvattend in een klein, glazen hokje stond opgesteld. Met de hand hees hij het slagboompje omhoog en met een wenk van zijn andere hand duidde hij mij naar binnen.

Voorzichtig gaf ik een heel klein beetje gas, want ik bleek beland in een voormalig winkelpand, dat blijkbaar nu was ingericht als parkeergarage. Er was een inrit in de gevel geprutst en er was een coating op de vloeren aangebracht. Stomverbaasd keek ik om me heen. Je kon nog zien waar de keuken had gezeten en het achterkamertje. Er was nog een stukje aanbouw in de tuin geplaatst, om nog twee extra parkeerplaatsen te creëren. Deze man had gewoon een winkel. Een met parkeerplaatsen.

Achter mij liet de winkelier het slagboompje weer zakken. Hij droeg een stofjas die in de jaren dertig uit de vorige eeuw erg in zwang was. Hij droeg het haar op het moede hoofd alsof het met vliegenpapier bevestigd was. Hij rook naar verschaald bier, toen hij vlak naast mij verscheen en door het geopende raam zei:
‘U komt hier parkeren? Waar wilt u heen?’
Het trof mij als bijzonder dat ik mijn bestemming moest opgeven om in aanmerking te komen voor een parkeerplaats.
‘Ik moet naar het Koningsplein,’ antwoordde ik monter, en keek de man vol verwachting aan. Het was een bestemming slechts om de hoek.
Hij keek zurig voor zich uit en knikte enige malen met het hoofd. Mijn bestemming proefde als een pepermuntje die wekenlang in het kleine horlogezakje van een spijkerbroek had gezeten.
‘Ja, neemt u maar nummer acht, meneer,’ zei hij, na nog enig wikken en wegen.

Ik keek vooruit en wou net vragen wat nummer acht inhield, toen ik recht voor me, in een soort voormalige kelderruimte, parkeerplaats acht zag. Heel voorzichtig reutelde ik de wagen ernaartoe. De muren en de auto op nummer zeven scherp in de gaten houdend manoeuvreerde ik de wagen op de plek. Het zweet stond me nader dan het lachen en ik wurmde me uit de auto.

Bij de uitgang schreef de man de tijd op een vodje, dat hij me krachtig in de hand drukte.
‘Om elf uur ga ik dicht,’ rondde hij af, en plofte in de leren fauteuil, die heftig krakend protesteerde en een geluid van een natte wind voortbracht. Maar misschien was het de man ook wel.

Na een paar uur was ik weer terug. Ik gaf de man het beduimelde vodje en betaalde het gevraagde tientje. Een prijs die me erg meeviel, de huidige futuristische prijsstelling van veel parkeergarages in aanmerking nemende.
Met heel veel gasgeven, die de gehele ruimte in de uitlaatgassen zette, wist ik ternauwernood langs muurtjes, richeltjes, buizen en andere geparkeerde auto’s te schuifelen. Achteruit verliet ik het pand. De man keek me met open mond vuil na, alsof ik een juffrouw was, die het geluk had gehad een rijbewijs achterop een pak wasmiddel te hebben gevonden.

Pas ’s avonds zag ik die lelijke kras.

 
image