Mevrouw Mulder ligt al lange tijd op bed. Een bed in de woonkamer, wel te verstaan. Met een privé verpleegkundige ernaast. Dat kan bij mevrouw Mulder, ondanks de recessie en bezuinigingen in de zorg. Ondanks haar ziekte, die lichaam en geest slopen, is haar banksaldo namelijk goed gezond.

Als ik haar, als nieuwe bovenbuurman, aarzelend de hand druk knijp ik zacht in een stapeltje broze botjes. Haar hand voelt een beetje aan als een mager kippenpootje. Snel laat ik weer los. Mevrouw Mulder wendt het hoofd even in mijn richting en uit haar altijd geopende mond komt een zacht gesteun. Ik ervaar het als een begroeting en na wat formaliteiten uitgewisseld te hebben met de privé verpleegkundige neem ik afscheid.
Als ik nog eenmaal omkijk speelt er een wazig lachje om de lippen van mevrouw Mulder. Ze danst in haar hoofd als klein meisje op Charleston muziek in een tuin vol bruingele herfst en haar zijden jurkje danst in de wind.

Bij de deur houdt de verpleegkundige mij tegen. Dat gaat vrij gemakkelijk, gezien haar omvangrijke gestalte. Ze duwt me een briefje in de hand, dat ik schaapachtig aanneem.
‘Hier heeft u mijn telefoonnummer. Zou u dat willen bellen als er iets is met mevrouw Mulder? We waren dat zo gewend bij de vorige bewoner, wilt u dat ook doen? Ze is al vijfentachtig! ’s Avonds en ’s nachts ben ik niet aanwezig ziet u, dan ben ik gewoon thuis. Soms bel ik de wijkverpleging als ik het niet vertrouw. Die komt dan ’s nachts langs.’

De verpleging is dus niet inwonend. Misschien is het banksaldo toch minder toereikend dan ik aanvankelijk dacht. Maar ik word gestoord in mijn overpeinzing, doordat er een ongearticuleerde schreeuw uit de woonkamer komt. De verpleegkundige spoedt weg en na een haastige groet trek ik de voordeur achter me in het slot.

’s Nachts merk ik wat het betekent als de wijkverpleging langskomt. Zware voeten in kloeke steunschoenen dreunen door het trappenhuis en de voordeur zit pas goed dicht na een krachtige klap, waardoor ik rechtop in bed zit. Ik vind mevrouw Mulder dan even wat minder aardig.

Een week later kijk ik ’s avonds, liggend op de bank, naar een televisiespelletje. Plotseling galmt het journaal zó hard door mijn programma heen dat ik het letterlijk kan verstaan. Ik ga op onderzoek uit en al snel ontdek ik dat de allesomvattende herrie uit de woning van mevrouw Mulder komt. Horen en zien vergaan. Het geluid van de TV staat op maximaal en het vervormde geschreeuw vult het trappenhuis. Ik bel aan. Geen reactie. Nog eens. Dan klinkt een afgrijselijke, langgerekte gil.

Met twee treden tegelijk ren ik de trappen op. Ik kan het telefoonnummer van de verpleegkundige niet vinden en bel het beter in het geheugen liggende 112. Ze zullen snel komen beloven ze. Als een agent op de stoep staat is er ook al een wijkverpleegkundige aanwezig met een sleutel. Tot mijn verassing kennen ze mevrouw Mulder, het blijkt niet het eerste incident te zijn. Het televisiegeluid verstomd zo snel dat er een echo in het portaal blijft hangen.

‘Mevrouw Mulder was bang,’ vertelt de wijkverpleegkundige even later. ‘Haar verzorgster heeft vanmiddag haar bed verplaatst en nu dacht ze dat er iemand in huis was.’
Ik vind het een zeer knappe prestatie dat iemand dat verhaal kan onttrekken aan mevrouw Mulder.

‘Is het wel verstandig dat mevrouw Mulder alleen is ’s nachts?’ probeer ik voorzichtig. Maar dat is tegen het zere been.
‘Ach meneer, vertelt u dat aan mevrouw Mulder, of aan haar verzorgster. Mevrouw heeft geld, ziet u,’ waarbij ze het internationale gebaar maakt door duim en wijsvinger tegen elkaar te wrijven.
‘Ze schijnt absoluut niet naar een verzorgingshuis te willen. En mevrouw de verzorgster verdient ook leuk zo, die vindt het wel best. Daarom kunnen wij geregeld opdraven midden in de nacht!’
En weg is ze, op naar de volgende patiënt.

Geld en zorg, onlosmakelijk verbonden. Maar op deze manier had ik er nog niet tegenaan gekeken. Een goed betaalde verzorgster. Nachtelijke spoed. Mevrouw Mulder vegeterend op een bed, met haar hoofd in een permanente droom vol zachte krachten, waar ze af en toe ruw uit ontwaakt. Iemand die eigenlijk thuishoort in een verpleeghuis kan door een dikke portemonnee thuis blijven terwijl de reguliere thuiszorg vakkundig om zeep wordt geholpen door ons allen middels politieke besluiten. Gewone mensen die eigenlijk nog wel thuis zouden kunnen wonen komen zo in het gedrang. Het Monopoly-spel met zieke en oude mensen.

Als ik me in de weken erna instel op regelmatige nachtelijke avonturen blijkt mevrouw Mulder op een dag opeens te zijn overleden. Ze sliep, en werd gewoon niet meer wakker. In een recordtijd is de gehele woning geruimd.

Haar verre familie is vast blij met het achtergebleven geld. Want na de laatste verzorging helpt geen enkele portemonnee.

 

image44