Ze had het niet meer zo op de markt. Niet sinds Jan weg was. Elke zaterdagmorgen hadden ze zij aan zij geschuifeld langs de kramen, elkaar ondersteunend met moeilijke voeten. En nu liep ze alleen. Wankel.

Nu was ze bang. Marktkooplui die ze van vroeger kende waren er bijna niet meer, het leek alsof ze samen met Jan waren verdwenen. Onwennig keek ze naar de vreemde gezichten, die allemaal zo somber en gehaast stonden. Dreigende ongeschoren mannen, in lange donkere jassen, die als groteske Stymphalische vogels het aas van de markt plukten. Levend aas.
Ze huiverde en schudde de gedachten van zich af. Sinds de paar weken dat Jan dood was had ze dit soort idiote ideeën.

Er liep bolle man onzacht tegen haar aan. Ze kreunde en wankeldend greep ze zich vast aan de passant aan de andere kant. Ze bleef nog net op de been.
‘Hé oma, wil je verkering?’ riep de man luidkeels, en stelde daarna een handeling voor die de kleur op haar wangen tevoorschijn haalde.
‘Ze wil niet!’ riep de man. ‘Beetje verlegen zeker? Hahahaha!’
Ze stond nog steeds tegen hem aan en hij greep haar stevig vast. Hij stonk naar jenever. Ze voelde paniek opborrelen en bracht een snik uit. Ze wilde huilen, maar voelde tegelijkertijd een onwrikbare vermoeidheid. De vermoeidheid die zei dat het allemaal wel mooi was geweest.

Net voelde ze haar ledematen slap worden toen een diepe stem zei: ‘Zo is het wel goed Willem, laat oma eens even los. Natuurlijk wil ze niet, stinkerd!’
De man, die blijkbaar Willem heette, duwde haar van zich af. Vrij ruw. Automatisch deden haar benen weer mee. Ze stond.

De man die haar hielp raakte in een woordenwisseling met Willem, spoedig uitdraaidend op een wild handgemeen met veel lawaai.
Ze dwong zichzelf door te lopen. Weg wilde ze! Weg hier, van dit alles, deze bizarre markt, die een macabere afspiegeling leek van de fijne plek die het was toen ze hier nog met Jan liep. Het leek wel of al het goede samen met Jan was verdwenen.

Ze voelde zich koud. Ze was al aan het einde van de markt en voelde snel of de sleutel nog in haar mantel zat. Gelukkig.
De geur van patat drong tot haar door en maakte haar opeens hongerig. Ze voelde in de andere zak en vond haar portemonnee. Zou ze?
Ze twijfelde. De eenzaamheid en mistroostigheid overmande haar. Door haar tranen heen keek ze naar de patatkraam. Een man wenkte haar. Ze hield haar adem in en keek nog beter.
Het was Jan!

Ze kon het niet goed zien omdat de brillenglazen onder de tranen zaten. Ze zwaaide, tegen beter weten in. Ze maakte snel haar bril schoon, maar toen ze opnieuw keek was er niemand.
Toch voelde ze zich blij. Misschien was hij nog in de buurt, en waakte hij nog over haar. Maar ze maakte zichzelf stiekem ook belachelijk met die malle gedachten.
Ze voelde opeens de honger weer en doelgericht liep ze op de kraam af, per slot van rekening had Jan haar gewenkt.

Toen ze even later op het bankje zat te eten keek ze uit over de markt. De ochtendzon zette de natte keien in een prachtig licht. Een groepje kinderen liep lachend langs. De dampende patat smaakte goed en bracht warmte in haar lichaam.
Voor het eerst sinds lange tijd voelde ze zich prettig.
 
 
image-300x195