Pijn

Ik ben in een ziekenhuis. Het leven is een Monopoly-spel en dit keer ben ik er “slechts op bezoek.” De patiënt ligt er lamlendig bij, nog niet helemaal bijgekomen van de zojuist ondergane narcose. Aangezien het snel verveelt naar een slaperig gezicht te kijken waarvan de mond half openstaat, verleg ik mijn aandacht naar de andere mensen in de kamer. De tijd van een patiënt per kamer is natuurlijk allang voorbij, wat dat betreft is het gevangeniswezen vaak luxer geoutilleerd.

In het aanpalende bed ligt een zielig jongetje. Hij is geopereerd aan zijn trommelvlies. Dit begrijp ik uit de tekst die de dienstdoende zuster bezigt, helaas op de kwijlende toon zoals men lieve hondjes en bejaarden toespreekt. Ik zou me dan ook zielig voelen. Ongemakkelijk ga ik verzitten, maar gelukkig roept de plicht van de zuster.

Heel stil kijkt het jongetje rond. Het zere oor zit verpakt in een omslachtig verband. Met grote ogen kijkt hij naar mij. Ik zie de intense zieligheid en glimlach bemoedigend. Met een zucht kijkt hij een andere kant op.

Beide ouders komen binnen. Het zijn ex-partners. Aanvankelijk was er namelijk geruzie op de kamer over wie het zieke kind mee naar huis mocht nemen. Vader of moeder. Toen het jongetje om uitsluitsel werd gevraagd wendde hij zich zuchtend af, maar ging daarbij abusievelijk op het zere oor liggen zodat het een huilpartij werd waar de zuster nog aan te pas moest komen.

Na de tijdelijke rust die volgde kunnen beide ouders het nu niet eens worden over het blijkbaar aanstaande tandartsbezoek van het jongetje. Hij hoort het met lede oren aan.
‘Ik dacht dat we duidelijk hadden afgesproken dat je een andere tandarts zou nemen, Edith,’ zegt de man op galmende toon, ‘deze man is een slager en Tim heeft net een heftige operatie gehad. Dat is wel genoeg pijn, dunkt me!’
‘Hou nou toch op Henk!’ schreeuwt Edith, ‘ik maak zelf wel uit naar welke tandarts hij gaat. Daar ben ik heel duidelijk in geweest. Als hij bij jou is gaat hij maar mee naar jouw tandarts!’
‘Ja dan lijkt het me toch het beste dat hij vanuit het ziekenhuis met mij mee naar huis gaat. Dan kan hij bij mij naar de tandarts!’ kletst Henk als troef op tafel.
‘Ja gaan we nu helemaal van voren af aan beginnen!’ roept Edith.

Maar dan komt de zuster binnen en beide ex-geliefden verdwijnen mopperend naar de gang.
‘Ik zég toch dat mijn tandarts…’ horen we Henk nog soebatten.

Tim ligt doodstil. Op zijn gezonde oor. Hij ligt met zijn rug naar de deur en zijn gezicht naar mij gewend. Zijn ogen staan weer zo groot. Een traan rolt langs zijn neus en drupt, na een kleine aarzeling, uiteindelijk op het kussen.