Na zwaar tafelen hang ik rondbuikend achterover in de stoel en druk een boertje weg in het kussen. Toch nog te hard want mijn zoontje veert op en lacht. Lucht ontsnapt ook aan zijn lichaam zodat we weer op het niveau zijn dat thuis gebruikelijk is.

Even denk ik dat er nog een oprisping komt maar het blijkt mijn telefoon te zijn, die trilt. Mijn buik zit in de weg als ik probeer mijn mobieltje uit mijn broekzak te halen. Het lukt ternauwernood. Sullig staar ik naar het bericht. Het blijkt dat een aantal collega’s moet overwerken. Ik knik, en prijs mijn collega’s in gedachten en even later ook nog maar even per tekst. Ik heb zo’n stoel die je in een achteruitstand kan zetten, waarbij er een voetensteuntje tevoorschijn komt. Heerlijk lig ik.

Maar even later knaagt het toch. Het eten wil niet lekker zakken en in gedachten zie ik ondervoede collegaatjes met holle ogen tot diep in de nacht aan het werk. Ik bel maar eens en ze blijken allen razende honger te hebben. Het zijn techneuten, dus zichzelf tijd gunnen om eten te bestellen bestaat niet.

Even later sta ik in de pizzeria. Een mevrouw met mooie nagels noteert in prachtige bloklettertjes mijn bestelling. Pizza’s en blikjes cola, standaardmenu voor elke ict-er. Ze kijkt me aan alsof ik van Mars kom, haar ogen puilen bijna uit van verbazing. Ze keek me aan met de ogen van een vis die ik niet graag zou eten schreef Simon Carmiggelt eens. Het past bij de vrouw.

‘Ik heb wel een beetje haast,’ zeg ik voorzichtig, ‘hoe lang duurt het ongeveer?’
‘Oh tien minuutjes,’ zegt ze met een mierzoet stemmetje, alsof ze zojuist een fles ranja leegdronk.
Dan gaat de telefoon. Een man poogt een bestelling te plaatsen maar het lukt niet bijster vlot met de articulatie afgaand op het aantal malen dat de mevrouw ‘Wat zégt u?’ scandeert. Ik verplaats mijn gewicht van het ene naar het andere been. Buiten zie ik mensen haastig een heenkomen zoeken, waarschijnlijk een goed.

Als het gesprek ten einde is moet ik betalen. Het pinapparaat hapert. Het is een erg oud model. Als het eindelijk is gelukt loopt de mevrouw met mijn briefje en dat van de man aan de telefoon naar achteren, waar een dikke bezwete man achter een pizzaoven staat. Ze loopt alsof ze op een hoogzomerdag onder oude linden loopt; sloom en een beetje zwierig. In gedachten zie ik mijn collega’s de toetsenborden onderkwijlen van de honger, afgaand op mijn optimistische bericht dat ik er over een kwartiertje zou zijn.

Daar komt de mevrouw weer aangewiegd. In haar hand heeft ze een plastic tas vol blikjes bier.
‘Ho ho, dat lijkt me niet verstandig,’ zeg ik, wijzend op het bier. Ik zag eens lallende studenten elkaar bekogelen met toetsenborden en muizen. Ik zal het de collegaatjes niet aandoen.
De mevrouw kijkt me weer diep in de ogen zodat mijn achterhoofd jeukt en ze begint aan haar terugreis. Achterin de zaak begint ze met het openvouwen van pizzadozen, hetgeen blijkbaar een secuur werkje is dat uiterst omzichtig dient te worden uitgevoerd. De man bij de pizza-oven geeuwt vol overgave. Ik ga zitten, met hangende schouders.

Het is allang donker als ik arriveer op het werk. De pizza’s worden met doos en al opgegeten en de cola vloeit sneller dan het water uit de kraan. Ik lach, want ik dacht even aan de overbodige vraag van de pizza-mevrouw: ‘Zal ik de pizza in vier of zes stukken snijden?’ waarna ik na enig nadenken zei: ‘In vier, want zes stukken krijgen ze nooit op.’