‘Wolters heet ik,’ zei de man, ongevraagd. Ik knikte, bij wijze van instemming. Je kunt ook moeilijk verbaasd opkijken of gaan schaterlachen als een man zijn naam noemt, ook al is het ongevraagd. Ik bedacht bovendien dat hij waarschijnlijk al eerder iets tegen me gezegd had. Ik had wel vaag iets gehoord, maar ik was in druk gesprek met mezelf, een bezigheid die mij altijd bijzonder goed afgaat.

‘Ik lustte zo graag gemberbier, vroeger,’ vervolgde hij.
Ik keek nu wél verbaasd, kennelijk had ik toch een en ander gemist. Ik was benieuwd waar deze monoloog heenging. De man zag mijn verbaasde blik niet, want hij keek uit over de zee. Naast hem zat een klein oud mevrouwtje te knikken. Zijn vrouw, ongetwijfeld. We zaten lekker warm op het terras van een strandtent.

De man keek ernstig in mijn richting. ‘Gemberbier zoals toen maken ze niet meer,’ zei hij treurig, ‘en als het er al was, dan kan ik het het toch niet proeven. De medicijnen, hè?’ Hij knikte enige malen. Het mevrouwtje ook. Ze leek me geen vrouw voor redevoeringen.
‘Ik proef bijna niks meer,’ zei hij, ‘ik heb nu maar sterke koffie besteld.’

Ik knorde wat. Ik had eigenlijk geen zin in praten. Mijn hoofd zat al vol met mensen en gedachten en eigenlijk hinderde de zeurende toon van de man me, zoals een vlieg die hardnekkig om het hoofd zoemt. Vliegen kunnen dat. De man ook.
‘Ons kleinkind staat daar,’ zei hij.

Verveeld keek ik opzij en zag een kind in een, naar het leek ongemakkelijke, rolstoel hangen. In de volle zeewind.
‘Ze hoeft niks,’ zei de man, ‘en ik heb haar in de wind gezet, want m’n dochter zegt dat ze dat fijn vindt. De wind.’
Het mevrouwtje knikte weer en nam een slurpend slokje koffie.

Ik knikte nu ook. Duidelijker.
‘Ja, ze werkt. D’r man is weg, zie je. Niet makkelijk hoor, zo’n kind. Die ziekte heeft een naam die ik niet kan uitspreken, maar ze kan niks en wordt ook niet beter. Dat trok die man niet. Een sportief persoon, met veel vrienden. Die wil niet zo’n dochter.’

Er trok een wolk voor de zon. De temperatuur daalde zeer snel.

‘En nu bent u aan het oppassen?’ liet ik mij voor het eerst horen, ‘dat is wel leuk voor haar, een dagje naar het strand met opa en oma.’

Een opmerking als een vettig zalfje van een discountdrogist. Zinnetjes die je vaak hoort uit monden van autoverkopers, maar ik had geen klinkerder wisselgeld.
‘Ja ach,’ liet de man in het midden. Hij streek langs zijn kin. De vrouw keek even achterom naar haar kleindochter. ‘Ja ach. Mijn dochter werkt nu veel meer. Dus wij passen veel meer op.’

Hij klonk vermoeid, en dronk zijn laatste slok koffie op. Het mevrouwtje knikte weer, maar produceerde ook een kuchje. Een hoog, benauwd geluidje. Het klonk als een startschot en de man stond dan ook op.
‘Nog een fijne dag,’ zei ik, met diezelfde zalvende voorkomendheid. Het was blijkbaar geen dag voor conversatie.

Nu knikten beide oude mensen.
Even later zag ik ze lopen, langs de waterlijn. De ouderwetse rolstoel liep regelmatig vast in het natte zand. De man boog dan voorover om de rolstoel aan de voorwieltjes los te trekken en de vrouw duwde uit alle macht tegen de achterzijde van de stoel.

Zo gingen ze langzaam voort. Op weg naar de hemel. Want daar zijn vast al plaatsen gereserveerd.