Prisoner of War

‘Pang,’ zegt Paul. Zijn ogen lachen aanvankelijk, maar als ik hem iets langer aankijk krijgt z’n blik iets kils. In hoog tempo voel ik me erg ongemakkelijk worden. Er prikt wat klam zweet in mijn nek.
‘Ha ha ha,’ zeg ik in een poging joviaal te zijn. Maar het komt er raar uit, m’n stem kraakt en is wat bibberig.
‘Mooi hoor, heb je nog bier?’ vervolg ik. Die plotseling omhoog geschoten spanning moet weg. Nu!
‘Bam bam bam,’ zegt Paul. Dan zwenkt hij de luchtbuks weg van mijn voorhoofd en schiet het kogeltje in de muur.

Mijn bekken ontspant zich. Ik zak wat verder weg in de stoel. Paul doet een pas naar rechts. Met de achterkant van de buks beukt hij, heel kort en heel snel, keihard in op het boekenrek. Het ding stort ineen, de boeken uitkotsend over de vloer met veel lawaai.
De spanning schiet weer omhoog. Het moment is nog niet over.
‘FUCK!!’ schreeuwt Paul. Hij schopt de boeken alle kanten op. Zijn herdershond stormt uit de keuken en ziet mij als veroorzaker van de dreiging. Hij blaft keihard en komt heel dichtbij. Het zweet staat inmiddels zichtbaar op mijn voorhoofd en ik heb de armen al afwerend omhoog.

Dan is het net zo snel over als het kwam.
‘AF, AF!!’ Het is de laatste schreeuw van Paul. De hond kalmeert onmiddellijk maar gaat slechts twee meter van mij af liggen en kijkt mij onophoudelijk strak aan. Ik schuif, nog steeds wat ongemakkelijk, op de stoel heen en weer.
‘Relax man, doe niet zo opgefokt. Hier, het is jouw beurt,’ zegt Paul. De kille blik is weg en nu lacht juist híj wat ongemakkelijk.
Ik heb allang geen zin meer in het indoor schietwedstrijdje met de luchtbuks.
‘Neeeeh,’ zeg ik traag. Ik kijk even opzij. Tegen de muur staat een bijna complete PSU uitrusting, meegenomen uit het leger. Ik zie het opgevouwen pioniersschepje in de plastic houder op een stapel foto’s liggen.

Maar stoppen is geen optie.
‘Nee jij moet!’ commandeert Paul. De stemming is nog steeds niet helemaal hetzelfde als toen ik aankwam vanmiddag. Ik besluit maar mee te doen.
‘Hij heeft een kleine afwijking naar links. Om de roos te raken moet je ongeveer richten op de acht en dan iets schuin rechts. Zit je altijd goed!’ zegt Paul triomfantelijk.

Ik druk af, maar het kogeltje verdwijnt in de buitenste ring met een harde tik.
‘Nee man, wat zég ik nou. Op de acht en dan schuin omhoog!’
Ik probeer het nog eens en nu doe ik het goed. Paul is tevreden. Zijn aandacht verslapt. Hij trekt de hond naar de keuken en doet de deur dicht achter het dier. Hij steekt een sigaret op en gaat zitten in de stoel die ik zojuist verliet.
‘Hij is weer terug,’ denk ik opgelucht.

Het is 1986 en Paul is al een tijdje terug uit Libanon. Hij vertrok destijds zeer stoer op de vredesmissie met zijn veel te jonge jaren. Tijdens een verlof was hij al anders. Zijn prettige stem was keihard geworden en in een discotheek kwam hij màkkelijk boven alle muziek uit. Duwde mensen aan de kant. Ruzie. Vechten. Vroeg naar huis.

Maar terug van de missie stortte Paul in. Een instorting die ze later PTSS noemden.
‘Kom maar niet binnen,’ zei z’n moeder toen ik onverwacht een keer aan de deur stond en de serviesscherven tot bij de deur lagen. ‘Teveel stress en zo hè? Ja ik had hem nog zó gewaarschuwd. Ik denk dat het nooit weer overgaat.’ Ze keek diepbedroefd.

Helemaal over gaat het inderdaad nooit volgens mij. De soldaat in hem zal nooit doodgaan. Ik kijk naar Paul. Na langdurige hulpverlening gaat het wel weer wat. Hij rookt nog steeds. Hij draagt een T-shirt van het Vietnam Memorial met de tekst POW/MIA you are not forgotten.

Ik hoop vurig dat het leger Paul niet vergeet. Ook niet na een aantal jaren.

 

 
 
Zie ook: Angelien Eijsink