Receptieleed

De receptie in Amsterdam is warm. Roodbekoond wordt er hooghaarlemmerdijks op elkaar ingepraat. In de meeste handen is een halfvol wijnglas te vinden. Bij een enkeling is het glas half leeg, maar over het algemeen is de stemming goed. De wijn is ook goed. Een enkeling behelpt zich met cola en stukjes kaas. Ik ook. Ik moet straks nog rijden.

Ik verveel me meestal snel op een gelegenheid als deze, met voor velen als enig doel een gretig etaleren van het ego. Als je goed luistert zijn mensen over het algemeen erg belangrijk. Ze verdienen in eigen ogen de waardering en hoffelijke bejegening, die ze echter zelden ontvangen. Brallerig en met bombastische mimiek vertellen ze hun heldenverhaal, met zichzelf als enig round character temidden van louter figuranten.

Ik ben dan ook opgelucht als ik de woorden hoor:
‘Ja, we verhuizen volgende maand naar Drenthe.’
Eerlijke woorden, met een onmiskenbaar Amsterdams accent geuit, en gelardeerd met een uitgesproken, bijna naïef, enthousiasme.
Ik drentel erop af.

‘Ik woon ook in Drenthe,’ zeg ik maar eens.
De drie vrouwen, die het gesprek voeren, kijken me tegelijk aan. Ik val niet echt goed, want op de drie gezichten blijven gehinderde uitdrukkingen staan. Dan kijken ze elkaar weer aan. Een vrouw met een wilde bos rood haar zegt:
‘Ja, Drenthe. Daar heb ik wel gewerkt.’
‘O, jaaaa?’ kweelt een der andere vrouwen, ‘wat ontzéttend leuk!’
‘Och, we hebben er toch zó’n zin in, Aleid!’ kirt de derde vrouw, ‘echt, we kunnen niet wáchten. Vorige week waren we even in het dorp. Zó gemoedelijk, de mensen. Allemaal heel rustig. En allemaal heel erg aardig. Ook bij de bakker en zo! Een mannetje uit het dorp tikte tegen zijn pet, bij wijze van groet!’
De beide vrouwen, die gaan verhuizen, kijken Aleid extatisch aan.
Ik onderdruk een boertje. Het gesprek valt toch wat tegen.

‘Waar heb je gewerkt?’ vraag ik Aleid.
Andermaal krijg ik de verstoorde blikken. Echt welkom ben ik niet in deze conversatie. Toch geeft Aleid antwoord.
‘O, in Emmen,’ antwoordt ze, blasé.
‘Neeeeeee,’ krijsen de beide andere vrouwen. Wijn gulpt over het glas. Mensen kijken om. Kaas valt van het plankje.
De beide vrouwen gaan verhuizen naar Drenthe.
Naar Emmen.

Ik ben niet bij de vrouwen weg te slaan. Ik weet niet goed waarom. Er is iets, ik voel het.
‘Wat deed je voor werk in Emmen?’ vraag ik Aleid. Ik móet het gewoon vragen. Verstoorde blikken of niet.

Net als ik schielijk een slok van mijn cola neem zegt Aleid:
‘O, ik werkte als psychotherapeut bij de GGZ daar. Het mooie aan Emmen is dat het natuurlijk klein is vergeleken met Amsterdam, maar dat er dezelfde problemen spelen als hier. Drank, drugs, gokverslaving, huiselijk geweld. Het is er gewoon allemaal hoor. Net als hier.’

Ik verslik me zó ernstig in mijn cola dat alle blokjes kaas, die ik genuttigd heb, tegelijk het lichaam willen verlaten. Ik wring me langs Aleid, luide hoesten producerend, richting het toilet. Toch kijk ik nog een keer achterom.

Aleid is nergens meer te bekennen. De beide verhuislustige vrouwen staan aan de grond genageld. Ze kijken een beetje glazig. Een der vrouwen heeft de mond licht geopend. Zelden zag ik ontgoocheling zo treffend uitgebeeld.

Me ellendig voelend op het toilet moet ik toch lachen. Om de vrouwen. En om Godfried Bomans, die zei:

Wij raadplegen de anderen slechts in de verwachting onze eigen opinie bevestigd te horen.