Rustig zit ik te knikkebollen in de wachtkamer. Het leed in de wereld lijkt ver weg. Hoewel velen geluk nastreven als een permanente staat van geest, weet ik uit ervaring dat geluk slechts bestaat uit momenten. Je hoopt aan het eind van zo’n leven dat het aantal gelukmomenten groter is dan het aantal keren dat je je niet fijn voelde. Het verblijf in de wachtkamer houdt het op een gelijkspel, want net als ik in perfecte balans het leven een 10 geef, gaat de deur open en betreden drie mensen de wachtkamer. Ik hoor nog juist een raspende godslastering.

Mensen niet beoordelen op uiterlijk is lastig. Een kaalgeschoren man met bomberjack met opgestroopte mouwen en tatoeages op onderarmen en hals en een plompe vrouw in joggingbroek en sluik, vet haar worden vergezeld van een jonger mens, waarvan ik in eerste instantie het geslacht niet kan vaststellen.

De man in de wachtkamer beent getergd af op de leestafel. Hij vloekt nogmaals, pakt lukraak een tijdschrift en begint verwoed te lezen. Hij slaat daarbij de pagina’s wild om, alsof hetgeen erop geschreven staat hem bijzonder irriteert. De vrouw strompelt achter hem aan, op zere voeten. Ze ziet er verfomfaaid uit, alsof ze met stormkracht naar binnen werd geblazen. Als ze gaat zitten ontsnapt haar een luide kreet, als iemand met blaren op het achterwerk. Haar stem is helaas niet lieftallig. Een hard en storend, rauw geluid, dat een abnormaal frequent gebruik van tabakswaren verraadt.

Geschokt kijk ik deze mensen aan. Maar dat bevalt allerminst en na vuile blikken terug kijk ik schielijk voor me. De zeer forse telg staat nog steeds roerloos in het midden van de wachtkamer. De wezenloze uitdrukking heeft plaatsgemaakt voor, de reeds in aanleg aanwezige, norse trekken. Dan zegt ze iets tegen moeder. Pas als ik goed luister blijkt dat de door de receptioniste aangegeven verwachtte wachttijd allerminst bevalt. Ik kan de bewoordingen onmogelijk herhalen. In het korte gesprek op keiharde toon, die niets of niemand ontziet, hanteren moeder en dochter zóveel godslasteringen en onwelvoeglijke omschrijvingen van menselijke geslachtsdelen, dat ik blij ben dat ik mijn zoontje toch maar niet meegenomen heb, hoewel hij aanvankelijk graag wilde.

Dan gaat de deur open en ben ik gelukkig aan de beurt. De wolk, die zo-even voor de zon trok, heeft de wachtkamer ook in een andere teint gezet. Donkergrijs. Ik loop naar de deur en kijk nog even achterom. Vader heeft de onverstoorbare paginamishandeling gestaakt en kijkt mij, half opstaand uit de stoel, samen met moeder en dochter, agressief aan. Alsof niet ik, maar zíj eigenlijk eerst mogen. Een ondeelbaar ogenblik lijkt het er ook op dat ze me gewelddadig terzijde zullen slaan.

Ik laat me echter niet uit het veld slaan en met een mengeling van verbijstering en medelijden zet ik mijn vriendelijkste gezicht op.
“Goedemiddag,” besluit ik maar. Maar er komt niks terug en de strakke, harde blikken wijken niet. Toch wat ongemakkelijk trek ik de deur expres iets te hard dicht, maar denk dan aan Winnie de Poe:
De dingen zijn vaak beter dan ze lijken.