Hardlopend bereik ik in de stromende regen het Chinese restaurant. Aangezien het restaurant zich blijkbaar schaamt voor mensen die het voedsel niet ter plekke willen nuttigen, maar dit mee naar huis willen nemen, moet ik helemaal achterom. Ik snap dat wel van die restaurants. Beschilder je net de muren in Formosa-rood met draken en lugubere afbeeldingen van Chiang Kai-shek, die met argusogen naar de Lange Mars kijkt, worden de weinige gasten aan tafel geconfronteerd met mannen in joggingbroek, die lomp door de zaak lopen en de Babi Pangang bestelling door de zaak schallen. Dan maar een apart afhaalhokje.

Het hokje staat vol stoelen. Achter de kassa in de hoek zit een Chinese mevrouw, die na aanvankelijke vriendelijkheid mij na het plaatsen van de bestelling verder behandelt als een voetwrat. Ik ontdoe mij van de natte overkleding en als ik nog maar net zit zie ik schaduwen door het gewapend glas van de deur, die vervolgens traag open gaat. Er komen een oude heer en dito vrouw binnen.

De vrouw is het rondje 83.4 duidelijk aan te zien. Een zachte zucht ontsnapt haar lichaam op een onduidelijke plaats als ze langs mij schuift, zwaar leunend op de heer. Ze stevent zó doelbewust op een der stoelen af tegenover mij dat het lijkt of ze haar favoriete plek voor de TV inneemt. Na het verscheiden van Kick Stokhuyzen lijkt me al het resterende voor de vrouw echter een ontgoocheling.

De heer geeft zich nog niet gewonnen. Hij zit nog maar net of hij wijst naar links.
‘Het is allemaal dichtgegooid,’ zegt hij.
Ik kijk naar rechts, denkend dat de heer doelt op de gesloten deur.
‘Nee, de sloten,’ zegt hij, mijn blik volgend. Hij wijst vrij bibberig naar de foto die naast de deur hangt. Ik sta maar eens op en bekijk het kiekje achteloos. Ik knik naar de man. Gedachteloos. De rommelende maag eist alle aandacht op. Ik ga schielijk weer zitten.

‘Kijk, daarachter staat nog de boerderij waar ik op werkte met Hendrik en Leendert,’ vervolgt de heer hardnekkig. Hij staat inmiddels pal voor de foto. Zijn vrouw zit in exact dezelfde houding als toen ze net ging zitten. Haar ogen zijn vernauwd tot spleetjes en ze staart naar een bont tafelkleedje.
‘En daarvoor loopt die sloot. Ziet u wel? Ja, het is allemaal dichtgegooid hoor. Daar loopt nu de weg waar u net met de auto langskwam, denk ik. En die boerderij is allang weg. Daar staan nu winkels. Maar daar wás een sloot! En ook daarachter, daar was óók een sloot!’

BENG!! De deur klapt keihard tegen de muur en een jongen van een jaar of vijftien komt binnen. De vrouw heeft geen enkele lichamelijke reactie gegeven en de heer had hem blijkbaar zien aankomen, want hij staat nog steeds in dezelfde houding naast de deur. De ruimte vult zich met het schetterend geluid uit het headsetje van de jongen.
‘Nasi Speciaal,’ mompelt hij bij de kassa.

‘Ja, de sloten zijn weg. En ze zijn allemaal dood hoor,’ zegt de heer tegen mij, alsof het verloren sleutels betreft, ‘Leendert is dood. En Hendrik ook. En die die boerderij is weg.’
Hij gaat naast zijn onbeweeglijke vrouw zitten, veegt met een smoezelige zakdoek haar kwijlende mond schoon en kijkt daarna onophoudelijk naar de foto.

‘Net als mijn zoons,’ mompelt hij na een tijdje stilte. ‘Ze is er nooit overheen gekomen.’ Hij veegt een laatste restje kwijl weg bij de vrouw en ziet mijn geschokte blik.
‘Nee die zijn niet dood hoor,’ zegt hij toonloos. ‘Naar Australië vertrokken. Met z’n tweeën. Maar we rooien het wel.’
Na enig rondlummelen gaat de jongen hinderlijk dicht naast mij zitten en uit het headsetje herken ik het nummer I can’t get no satisfaction.

Dan is mijn bestelling klaar. Bij de deur kijk ik nog een keer om. Beide oude mensen zitten zeer stil. Ze zitten er maar verloren bij. Buiten klinkt een donderslag.

Thuis smaakt het eten niet echt lekker en denk ik aan de man met zijn gedachten in het verleden en zijn vrouw die zijn kind werd. I can’t get no satisfaction.
Intussen kijkt míjn kind mij aandachtig aan. Hij zegt monter met zijn heldere stem:
‘Je hebt een lelijk gezicht.’
Net als ik hem berustend wil antwoorden voegt hij eraan toe, met volle mond:
‘Maar dat is niet erg. Je bent wél lief.’
Ik lachte. Godfried Bomans zei: ‘Geluk wordt pas zichtbaar als het voorbij is.’ Ik voelde vandaag het tegendeel.