De dichtwaaiende deur lanceerde me met kracht het Chinese restaurant in, zodat zelfs de onverstoorbare inwoner uit het Middle Kingdom achter de balie even nieuwsgierig opkeek. Maar met een stalen gezicht plaatste ik de bestelling, die weer even onverstoorbaar als altijd werd genoteerd.

Na het betalen nam ik plaats in het wachtgedeelte van het restaurant. Ik zat nog maar net aan het tafeltje of uit een geopende deur klonk een oorverdovend geraas. Het leek alsof het serviesgoed van dertig Chinese restaurants in een keer van de trap werd gegooid, die zich direct achter de geopende deur bevond. Maar ik zag niets. Horen deed ik echter des te meer, het geraas hield wel een paar seconden aan. Toen was het doodstil.

Een hoge, langgerekte Chinese kreet klonk uit de catacomben van het restaurant. De man verplaatste zich snel, want het geluid kwam zeer snel naderbij, hij genereerde bijna een dopplereffect. Onderaan de trap begon de man zeer snel te schreeuwen in het koeterwaals dat de Chinese taal nu eenmaal voor mij is. Het leken me geen woorden voor onder de kerstboom, gelet op de vinnigheid waarmee ze werden geuit.

Een vrouw begon terug te schreeuwen naar de man. Het leek me dat de vrouw de oorzaak was van het wilde geraas. Ze schreeuwde duidelijk met een verdedigende intonatie. Aangezien de deur nog steeds openstond vulde de wachtruimte van het restaurant zich met de kijvende Chinese lieden, hetgeen het wachten zeer aangenaam bekortte.

Na nog een laatste salvo met rake scheldwoorden rende de vrouw de trap op, sloot de deur zachtjes en kwam de wachtruimte binnen op een volkomen serene wijze. Niets aan haar verried de luidkeelse twist van zo-even. Ik schoot in de lach bij dit vertoon van volmaakte beheersing.
‘Geen ruzie maken hoor,’ zei ik maar.
Ik kreeg een minzame lach van de Chinese, met een blik die bepaald niet gespeend was van enige droefenis.

Direct daarna werden twee vrouwen binnengeblazen, die de Chinese nog bijkans van de sokken liepen. Maar ze ontweek de twee vrij plompe vrouwen handig. De achterste vrouw had de haren nogal over het voorhoofd hangen. Zelfs zodanig dat de haren ook over haar bril hingen. Samen met de half geopende mond gaf het haar geen bijster intelligent voorkomen. Maar wat mij betreft was dat ook helemaal niet noodzakelijk.
‘Ja ik was op de fiets in Hoofddorp,’ zei de voorste vrouw. Ze sprak op een manier die ik de beste imitatie van Koos Koets vond die ik ooit gehoord had. Aanvankelijk dacht ik dat ze het tegen de Chinees achter de balie had. Maar de vrouw met het haar voor de ogen antwoordde met een overslaande stem, die Ella Fitzgerald jaloers zou hebben gemaakt:
‘Hoofddorp lijkt op Assen!’ Ze keek verdwaasd om zich heen en in plaats van naar de man achter de balie te lopen rukte ze de deur open waar de Chinese vrouw zojuist uitgekomen was.

Bovenaan de trap stond een Chinese man met een plastic krat vol scherven. Het was niet duidelijk of hij zo ontzettend schrok van de deur die openzwaaide of de verschijning van de vrouw met het haar in de ogen. Hij zwaaide licht opzij en liet daarbij het krat vol scherven vallen. Met een luid geraas viel het krat van de trap. Toen was het doodstil.

Andermaal klonk een hoge, langgerekte kreet uit de catacomben van het restaurant.
‘Nou, wat een geluk dat jij niet van de trap viel,’ zei Koos Koets gemelijk tegen Ella Fitzgerald.
‘Geluk brengt scherven,’ zei ik gevat, maar mijn bestelling bleek klaar en ik stond op en sloot de deur maar weer.

‘Sambal bij?’ vroeg de onverstoorbare achter de balie. Maar net toen ik wou antwoorden zag ik de twinkeling in zijn ogen. Zijn lach brak door, hij straalde. Geluk brengt scherven. Scherven brengen ook geluk.