Toen alle lichten uit waren in Het Paleis en de zware voetstappen achter de deur waren verdwenen keek Tim voorzichtig op. Heel voorzichtig tilde hij zijn hoofd op. Vorige week had het geleken of de Wachter weg was gegaan en had Milano opgekeken. Het was de blonde Wachter geweest. Die had gedaan of hij wegging, maar had zich verstopt in de nis bij de deur. Milano was direct meegenomen. Die zouden ze voorlopig niet meer terugzien. Nog maar drie uur geleden was Bert teruggekeerd na zijn straf. Bert herkende niemand meer en liep apathisch over de afdeling. Af en toe zette hij het op een angstig schreeuwen. Een sliertje speeksel droop constant uit zijn geopende mond, een natte plek achterlatend op de boord van zijn shirt. Hij plaste ook in bed. Opkijken was nou eenmaal een overtreding. De dag was voor plezier. ’s Nachts werd er gerust en was het stil. ‘Dromen’ moest je, zeiden de Wachters. Zo niet, dan werd je behandeld.

De slaapzaal was muisstil. Tim keek langs de bedden. Tientallen bedden naast elkaar, twee rijen tegenover elkaar. Hij zag de dekens regelmatig op en neer gaan. Tim ging heel voorzichtig op zijn buik liggen. Hij had geen zin om risico te lopen. Hij dacht opeens aan zijn moeder en een grote traan rolde langs zijn wang. Hij zette alles op alles om niet in snikken uit te barsten. Hij begroef zijn hoofd heel diep in het kussen en hield met volle kracht de smoezelige lakens vast. Hij hoorde heel zachtjes “Sssst” ergens naast zich en hij hield snel zijn adem in, net zolang tot de snikken weggingen.

Hij miste haar zo. Hij had haar wel geschreven maar nog niets van haar gehoord. Hij hoopte maar dat als hij schoon was dat hij niet zo’n verdriet meer zou hebben. Ze zeiden dat als je schoon was je nergens meer verdriet om zou hebben. Hij had gehoord over schone kinderen die niet eens meer wisten wie hun moeder was. Die wilden nooit meer weg uit Het Paleis, zó blij waren ze. Ze waren zó blij dat ze alleen nog maar blij konden zijn. In bed haalde Tim zijn schouders op. Nou, zó blij was hij nog lang niet.

Hij dacht aan de avond dat hij naar Het Paleis gebracht was. Ze moesten allemaal in een hele grote trein op een heel groot en donker station. Tim, die van locomotieven hield, had nog snel gekeken wat voor loc er voor de wagons stond. Hij had zijn adem ingehouden omdat het heel even leek of de trein geen wielen had, maar omdat hij met de groep moest meelopen werd hij bijna de wagon ingedrukt. Later had hij gelachen om zichzelf toen hij de trein voelde schommelen.

Hij was geblinddoekt aangekomen, want de locatie van Het Paleis was zeer geheim. Zelfs de regering mocht niet weten waar Het Paleis was. Tja, geblinddoekt was het eigenlijk niet. Ze hadden een soort bril op gekregen die vastzat met een band om je hoofd. Zo waren ze Het Paleis binnengegaan.

Hij was al jarenlang vies gemaakt door oom Albert, de oom die bij hem en zijn moeder inwoonde om de hoge huurlasten te drukken. Hij was nog erg klein geweest toen oom Albert hem voor het eerst vies had gemaakt. Brrr, als hij aan oom Albert dacht kon hij hem gelijk ruiken, met zijn zurige zweetlucht en zijn hijgende adem. Hij voelde het gewicht van oom Albert op zich drukken en de pijn van achteren. Tim ging onvoorzichtig snel weer op zijn rug liggen.

De dag dat hij was meegenomen door de Wachters was er iets geknapt bij hem. Toen oom Albert weer bij hem in bed kroop had hij de pen van het nachtkastje gepakt en hem met alle kracht die hij in zich had in het hoofd van oom Albert geplant. Bloed spatte hem in het gezicht en de oerbrul van oom Albert had hem bijna doof gemaakt. Hij was de deur uitgerend met een maaiende oom Albert achter zich aan. Zó in de armen van twee Wachters. Gloeiende pech.

Ja, ze zeiden dat je eigenlijk geluk had als je meegenomen werd door de Wachters. Omdat je dan werd schoongemaakt. En als je schoon genoeg was je dan gewoon weer naar huis mocht. Maar iets zei hem dat hij voorzichtig moest zijn. Goed, hij was van oom Albert af, maar je wist het niet met die Wachters. Ze waren overal, dat was natuurlijk omdat Het Paleis geheim was.

Er waren alleen maar vieze kinderen in Het Paleis. Jongens en meisjes. Apart op slaapzalen. De meesten hadden gewoon ouders. Die mochten ze dan een brief sturen hoe het ging. Maar allemaal waren ze vies gemaakt. De meesten waren bloot vies gemaakt, net zoals Tim zelf. Meestal door hun vader. Of een oom. Of een lid van de Geestelijke Orde. Als je vies gemaakt was mocht je daar niet over spreken. Anders kreeg je familie een boete en mocht je nooit meer naar school. Daarom brachten ouders vaak zelf hun kinderen de trein. Om ze schoon te laten maken in Het Paleis. Dan was je er maar vanaf. De meeste kinderen zaten bij elkaar, op Afdeling S. Tim hoopte dat hij heel schoon zou worden.

Maar sommigen waren anders vies gemaakt. De kinderen van Afdeling G. Die hadden vreemde poep. Er zaten dan plastic balletjes in. Die kinderen kwamen soms ook heel ziek in Het Paleis aan. Tim vond dat poepverhaal erg bizar en keek onwillekeurig soms snel achterom in de toiletpot als hij was geweest. Andere kinderen van Afdeling G hadden met een pistool geschoten en veel andere mensen doodgemaakt. En sommigen waren gewoon vies door heel veel blauwe plekken en bloed. Die kinderen zeiden nooit iets en leken minder blij dan de andere kinderen.

Want dat viel Tim wel op. De meeste kinderen om hem heen waren blij. Eigenlijk niet gewoon blij maar uitzinnig. Daarom was hij steeds ook zo bang. Hij was helemaal niet blij. Hij zag alleen de Wachters.
Hij draaide op zijn zij. Hij voelde zich de hele dag al zo raar. Hij was opeens erg misselijk. De vloer van de slaapzaal ging even heen en weer en leek op hem af te komen. Hij schudde met zijn hoofd. Hij keek naar het plafond. Hij zag een zwart vlekje verschijnen. Hij wreef zich in zijn ogen, maar toen hij weer opkeek was het vlekje veel groter geworden. Het groeide en groeide tot er een grote zwarte draaikolk verscheen. De punt van de draaikolk bleef boven zijn hoofd zweven.

Tim dacht dat hij schreeuwde, maar hij hoorde zichzelf niet. Hij dacht weer aan oom Alfred. Adolf. Oom, nee, wacht! Zijn moeder. Hij dacht aan zijn moeder. Moeder! Hij probeerde haar gezicht weer voor de geest te halen maar hoe hij ook vocht, hij kon zich haar lieve blik niet herinneren. Haar blauwe ogen! Bruin! Blauw! Haar…

Hij voelde het zweet opkomen en gooide wild de dekens af. Een langgerekt krijs kwam uit zijn keel en hij viel uit bed. Kruipend over de grond zag hij de andere jongens allemaal opstaan. Hij kende er niet een van! Ze keken hem allemaal zwijgend aan met holle, roodomrande ogen. Tegelijk deden ze allemaal hun mond open en uit de tandenloze holtes kroop ongedierte.

Hij gilde! Panisch begon hij te rennen, maar viel languit op een bed van een andere jongen. Hij keek achterom. Alle jongens stonden in een lange rij naar hem te kijken. Ze wezen naar hem! Ze keken zo blij! Hij trilde over zijn hele lichaam en schreeuwde onverstaanbare klanken.

Tim sprong weer op en rende in blinde paniek naar de uitgang. Net voordat hij er was vloog de deur open. Een rode gloed verspreidde zich in de slaapzaal en er klonk een heel diep kwaadaardig gegrom. Er verschenen twee Wachters die Tim in één ruk door het gat van de deur trokken. Alle jongens stoven uiteen en binnen drie seconden lag iedereen weer in zijn bed. Het gegrom hield ploseling op. Er heerste een onnatuurlijke stilte in de slaapzaal toen de Wachter beheerst de deur sloot.

Het geluid van de nog steeds kermende Tim verstomde alsof er een schakelaar werd omgezet. Even later sloeg in de verte een zware metalen deur met een dreun in het slot. In de slaapzaal had iedereen zijn donkere bril op. De dag was blijkbaar aangebroken want op alle gezichten stond een glimlach. Een bed was leeg en werd verschoond door mannen in witte pakken. Niemand zag ze. Een deur van een wagon zwaaide open. Er werd een jongen uitgegooid. Hij sprong op en rende krijsend en volledig ongeneeslijk buiten zinnen door de enorme donkere loods. Weg van de grote oude en roestige trein, die op blokken stond.