Wim was een homo. Wist ik veel. Ik was gewoon kind. Voor mij was hij gewoon de buurman. Trap op. Linker deur voor Wim. Rechter deur voor ons. Ik vond het een leuke buurman. Misschien wat minder luidruchtig en stoer dan andere mannen in mijn omgeving. Er was eens een wesp bij ons in huis toen hij op visite was, en zijn lange hoge kreten bleven mij bij. Maar vooral het feit dat hij bij mijn moeder op schoot sprong. Maar zo was Wim, ik weet nog steeds niet of dat nou met het homo zijn te maken had. Waarschijnlijk niet, want ik kan me niet voorstellen dat alle homo’s minder luidruchtig en stoer zijn, bang zijn voor wespen of dat ze erg gillen. En ze springen zeker niet allemaal bij mijn moeder op schoot.

Ik was best dol op Wim en vond het dan ook jammer dat hij verhuisde. Gelukkig was het maar een paar huizen verder. Mij werd verteld dat Wim ging scheiden van Janny en in het nieuwe huis ging wonen met Bert. Ik vond het best, zo kon ik hem nog treffen. Maar ik merkte wel dat de mensen er veel over praatten en vooral de mannen in mijn omgeving er erg lacherig over deden. Luidkeels zelfs. Maar nooit als Wim erbij was.

Later dacht ik dat het een andere tijd was, dat mensen vroeger nog moesten wennen aan het feit dat ook mensen van hetzelfde geslacht van elkaar konden houden. Maar nee, dat lacherige bleef, vooral door mánnen in mijn omgeving. Nog niet eens zo heel lang geleden zat ik in een vergadering bij een voormalig werkgever. Er liep een man weg, hij moest naar de WC. Toen hij weg was rolden er allerlei grappen over de vergadertafel, gelardeerd met grofheden, met vettig lachen tot gevolg. Hij was blijkbaar homo. Daarna werd er bij ’s mans terugkeer weer gewoon verder vergaderd. Door mij met open mond van verbazing.

Veel wordt ook gesproken over echte mannen, die zeer kundig de liefdesdaad bedrijven met lesbische vrouwen, deze zodoende genezend. Grappen en uitspraken over mensen die vrouwen worden, of andersom, zijn onreproduceerbaar. Mensen ‘die van twee walletjes eten’ worden, bijna jaloers, betiteld als vunzig.

Natuurlijk, alles kan erger. Landen met openlijke, vaak zelfs wettelijke, maatregelen tegen LGBT moeten bestreden worden. Gelukkig wordt dat ook gedaan. In ons eigen ‘tolerante’ land bestaat, naast in aantal toenemende gewelddadige excessen, het kleinere leed. Je kunt mij niet wijsmaken dat mensen deze spot en stiekeme pesterijen niet merken. Soms jaagt het mensen depressies in, soms zet het zelfs aan tot zelfmoord, omdat de omgeving louter afkeurt.

In het algemeen kunnen we beter stoppen met het veroordelen van alle afwijkingen in gedrag en uiterlijk, die niet binnen de grenzen van de beperkte tolerantie van de meerderheid passen en slechts uit lijken te gaan van het basisprincipe ‘erkenning door herkenning.’ Als dat nog te moeilijk is kunnen we op zijn minst beginnen met het tolereren van vormen van liefde voor elkaar. Liefde is eigenlijk een simpel begrip; je houdt van iemand anders.

Het hele concept van definiëren van categorieën van liefde, als ‘straight’ of LGBT, kunnen we ook best loslaten. Van elkaar houden past immers niet in hokjes. Over honderd jaar staat zoiets in geschiedenisdossiers en glimachen we meewarig om zoveel kleinheid van geest. Labels zijn zo oninteressant, mensen. Interessant is als mensen elkaar liefhebben. Word je een beter mens van.