Kakelbont was de jurk van de vrouw achter de balie, die mij een hees welkom toedichtte. De jurk leidde zó af door zijn uitbundigheid, dat ik pas later de vrouw bekeek die erin zat. Het onderwerp van aanschouwing babbelde voort en informeerde naar de geslaagdheid van mijn reis. Ik vond de vraag erg irrelevant, zodat ik hem onbeantwoord liet. Ik was er immers en dat was toch de afspraak. Ik kwam solliciteren bij de heer Bleeker.

Die heesheid kwam volgens mij voort uit een notoir gebruik van het product van de Weduwe Van Nelle. Ze zou zelf ook goed weduwe kunnen zijn, de licht gefronste uitdrukking op het rimpelige gezicht en de futloosheid van haar haar in aanmerking nemende. Maar voor hetzelfde geval was ze al jaren gelukkig getrouwd met de heer Mulder, meestal reikt mijn fantasie verder dan de waarheid en ben ik al helemaal geen expert in het ontdekken van algemeenheden ten aanzien van weduwen.

De heer Bleeker zou naar beneden komen, verzekerde de vrouw mij met klem, na een kort telefoongesprek dat zij voerde. Ik moest maar even wachten. Met haar omvangrijke boezem, die mij in een porseleinkast onhandig leek, wees de vrouw mij de richting die ik gaan moest. Een zeer klein zitbankje sierde de achterwand van de grote hal. Als bezoeker moest je kennelijk je nederige plaats weten. Ik ging zitten en keek schielijk om mij heen.

Mannen met grote passen namen de marmeren hal als schaatsers op weg naar een rondje zevenendertigacht. Telefonerend of druk gesticulerend naar elkaar. Een enkeling liep, zwaar bebrild, met de neus richting plafond. Verveeld deed ik de riem van de broek een gaatje losser, drie uur ineengedoken in de auto had wat spanning op de buik doen ontstaan.

Nog maar net had ik de handeling verricht of de buik kondigde een bijzonder spoedig toiletbezoek aan. Ik had toch meer bekneld gezeten dan ik gedacht had blijkbaar. In paniek keek ik om mij heen en slaakte een zucht van tijdelijke verlichting toen ik rechts van mij een toilet ontdekte.

Schuifelend over de marmeren vloer bereikte ik de sanitaire ruimte, die erg krap en benauwend bleek. Gelukkig was ik spoedig verlost van de oorzaak van mijn plotselinge krampen. Ik merkte echter met afgrijzen dat de benauwdheid in de kleine ruimte desastreuze vormen had aangenomen, elke vorm van ademhaling onmogelijk makend.

Snel waste ik de handen bij het fonteintje, dat meer weg had van een pindabakje. Met een wilde zwaai dreunde ik de deur open en rolde bijna de marmeren hal in, vergezeld van een wolk kwalijke odeur, die als een nimbus van ellende de hal in waaierde.

Pal voor mij stond de heer Bleeker. ’s Mans haar stond wat achterover door de wilde zwaai van de deur en zijn bril leek wat beslagen. Mompelend verontschuldigde ik mij en drukte de man de hand met mijn nog natte exemplaar.

Ik heb de functie niet gekregen.

 

image29