Ongetwijfeld werd hij gepest. De jongen was dik. Niet zomaar wat aan de forse kant, meer een kwestie van behoorlijk overgewicht. En met overgewicht weten ze wel raad. Alles wat afwijkt van de gemiddelde domme kleilaag wordt aangepakt immers. Erkennen doen we slechts na herkennen. Alles wat niet zoals onszelf is, is stom.

Hij stond er ook wat verloren bij. Wat schichtig tegen de muur gedrukt van de kantine. Op het veld werd druk gevoetbald. Het publiek langs de lijn schreeuwde de mooie lentedag aan stukken.

O, er liepen wel jongens voorbij, genoeg zelfs. De meesten keken even minachtend naar de dikke jongen. Met diezelfde schichtige blik bekeek hij iedereen die passeerde. Op zijn hoede. Opeens wierp een voorbijgaande knaap een stuk gehaktbal naar hem, toen hij net naar de muur gedraaid stond. Het trof hem ongelukkigerwijs precies op zijn billen. Hard gelach, gelardeerd met scheldwoorden, vermengde zich met de verbale uitwerpselen langs de lijn.

Toen de eerste helft bijna ten einde was naderde een andere jongen de kantine. Hij had een bal onder de arm. Ook deze jongen wilde niet passen in het leger der gelijken. Hij viel op door het lopen. Het week af, zijn gang was niet constant. Eerder hobbelig. Het rechterbeen sleepte wat.

De nieuwkomer riep iets naar de dikke jongen. Hij klonk niet als andere jongens. Zijn spraak verried een moeizame aansturing vanuit de hersenen. Ook deze jongen zou niet ontkomen aan de spot van tijdgenoten. Hij had ook diezelfde behoedzame, scannende blik. De dikke jongen keek op en keurde de strompelende nieuwkomer. Schoorvoetend kwam hij dichterbij. Beide jongens stonden even zacht met elkaar te praten. De jongen met de bal liet deze vallen en als bij toverslag begonnen de twee te voetballen tegen de muur van de kantine, alsof hun leven er vanaf hing.

Na enige trappen tegen de muur begonnen ze er zichtbaar lol in te krijgen. Na nog enige trappen lachten ze openlijk. Het werd een vrolijk spel, dat nu en dan het ‘Zet vast!’ dat vanaf het veld klonk, overstemde. Ze trokken de jassen uit en gingen helemaal los.

Niemand zag ze. Het waren opeens gewoon twee voetballende jongens op een sportcomplex. De zon scheen en langs de lijn was de stemming inmiddels opperbest omdat er gescoord was. Even later lag de bal aan mijn voeten. Beide jongens keken me aan. Met het zweet op het hoofd en glimmende ogen. Ik schopte de bal terug.
‘Dankuwel meneer!’ riepen ze uitgelaten. Een eruptie van opgekropte vrolijkheid. Ik verwenste alle verwende pesters en misselijke meelopers.

Ach, pesten is van alle tijden, het hoort erbij. Vroeger was het er ook al,’ hoor je vaak zeggen. Een domme dooddoener. ‘Waar twee vechten hebben twee schuld,’ is een ander sloom argument om eraf te wezen.
Ik keek nog even naar het onbezorgde spel. Ik wenste dat de middag lang zou duren.
Pesten maakt ongelukkig.
 
 
image