Stekjes

Omdat bij tuincentra het dagelijks bewateren van plantenstekjes resulteert in het heffen van futuristische prijzen bij de verkoop van de flora, besloot ik het lege hoekje in de tuin op te vullen met plantjes die ik ontwaarde in een advertentie op een internetsite voor vraag en aanbod. Na enig soebatten met biedingen kwam ik met de adverteerder overeen dat ik even langs zou rijden op zaterdagochtend.

Ik moest er wel even voor rijden, en wel naar het einde van de wereld, zo leek. In een volstrekt niemandsland stond een huisje dat de routeplanner in de auto maar niet kon vinden. Ik reed er maar naar toe omdat in de wijde omtrek geen bewoning werd gebezigd. Bij het parkeren van de auto zag ik dat de banden reeds rijkelijk voorzien waren van een laag mest, zodat ik me geen zorgen zou maken over de groeivorderingen van de te kopen aanwas.

Ik trok voorzichtig aan zo’n ouderwetse trekbel. In de films van Laurel en Hardy trok de dunne man de bel met koord en al uit de muur. Ik wou dat voorkomen. Er klonk een bescheiden schelletje en net toen ik op hoop van zegen een wildere poging wou aanvangen hoorde ik gestommel van klompen en verscheen de man om de hoek van het huisje.

Mode was voor deze heer niet weggelegd en ook gedonder met scheeraparaten of mesjes bleek onzinnige ijdeltuiterij. De alpino had zijn beste tijd gehad en de odeur van de man weet ik aan de mest op de banden, maar zeker was ik niet. De begroeting vond plaats in zwaar dialect en na enige haarkloverijen op taalgebied begreep hij dat ik kwam voor de plantjes en begreep ik dat ik hem moest volgen naar de tuin.

Tuin was een mooi eufemisme voor de ruimte achter het huisje. In de serie Swiebertje op TV heel vroeger liep de vriend van deze zwerver met veel geraas door een uitstalling van onduidelijk materiaal. Deze man deed eraan denken. Met de conservenblikken en snoeren met stekkers tot op enkelhoogte was het een hele toer om bij de kratten met plantjes te raken. Zowel hij als ik raakten op weg ernaartoe ook diverse stapels met metalen voorwerpen, die vervaarlijk rammelden.

Er stonden wel tien kratten met plantjes. Allen stekjes. Takjes met blaadjes. Het was nog zeer vroeg in het voorjaar en nergens zat een bloempje aan. Als plantenleek zagen ze er voor mij allemaal gelijk uit.
‘Kiek,’ zei de man slechts.
Ik keek naar de uitstalling. De man plantte de handen in de zakken en keek voor zich uit. Ik hoorde een klein vogeltje in de verte. Het waaide zwak tot matig. Zo stonden we enige tijd roerloos. Er verstreek wel een volle minuut.

‘Doe me die maar,’ zei ik, voordat ik de slappe lach kreeg. Ik wees lukraak op een krat plantentakjes. ‘Ik neem de hele krat wel.’ Hij knikte zwijgend en ik wou hem het afgesproken tientje geven, maar de wind pakte het van me af.
‘Ho, kiek uut,’ zei de man. Ik kon het tientje nog net vangen en gaf het hem. Hij frommelde het in de zeer ruime broek en tikte aan de alpino.
‘Moi.’
‘Jo. Moi.’
En daar ging ik.

De stekjes staan in het lege hoekje in de tuin.
Ik ben benieuwd.

 
 
image