‘Jij nog een?’ vroeg ze mat.
Ze keek hem ternauwernood aan. Haar ogen stonden glazig, met pupillen als speldenprikjes. Nerveus trok ze met haar mond en haar vingers waren onophoudelijk in de weer. Eerst met de puistjes op haar gezicht en daarna met de zweertjes op haar vingertoppen, ontstaan door het nagelbijten.

De jongen reageerde niet. Hij zat tegenover haar in het donkere, muffe hol. Onder zijn donkere wenkbrauwen keek hij door het vieze raam naar buiten. Afzichtelijke moeders liepen voorbij met vrolijke, misvormde kinderen aan de hand. Levende tekeningen van Yrrah. Marktkoopmannen schaarden bijeen met dampende koffiebekers in hun door wratten ontsierde handen. Ze keken schielijk om zich heen. Een verdwaalde zakenmevrouw met aktentas liep haastig heen, op kromme bultige benen met open wonden, pus zaaiend op de stoep. De lucht betrok al en kondigde een vroege avond aan. Gouden strepen, die eruit zagen als kerstboomversiering, dropen uit het zwerk. Ze bewogen als slangen.

Hij schudde met zijn hoofd en afwezig streek hij een lok vet haar uit zijn ogen. Zijn duistere blik werd er niet minder om.
‘Jij nog een?’ vroeg ze, nog een keer.
‘Huh?’ Met een ruk draaide hij zich naar haar toe. Zijn felle blik brandde tot achter in haar hoofd. Soms werd ze bang van hem.
‘Of je nog een moet. Een pil.’ Ze viste twee groene pilletjes uit haar zak en hield ze in de palm van haar hand.
Hij keek ernaar en schudde toen zijn hoofd.
‘Nee,’ zei hij, met zijn gebarsten stem, ‘nee ik heb genoeg. De vorige doet het nog. Op school al. Ik vind ze heftig man. Ik heb alleen focking dorst…..’
Zijn stem zwierf weg en afgeleid keek hij naar het raam, dat vloeibaar werd. Hij stak zijn hand uit en zag hoe het raam zijn pols afsneed.
Hij viel met een schok van zijn stoel.

Panisch keek hij op en wou gaan gillen, maar het meisje streek door zijn haar en haalde een flesje water uit een versleten schooltas onder de tafel. Ze stak beide pillen in haar mond en spoelde ze met een slok weg. Ze schoof het flesje naar hem toe.
Martiaal sprong hij op.
‘Wat doe nou?!’ voer hij uit, ‘je slikt ze allebei door! Ik heb geen downers meer man! Moet ik je straks wegdragen? Bovendien wil ik straks nog! Hoe kom je er eigenlijk aan?’
Ze lachte zachtjes en daarna kwakend. Ze stak haar hand in de tas en haalde er een hand vol pillen uit. Zijn ogen werden groot van verbazing en hij stamelde:
‘What de fok, hoe kom j…’

Verder kwam hij niet. De barman, gealarmeerd door het hysterische lachen, stond al naast de tafel. Een vermoeide man met een te dikke buik en dito neus. Hij had de handen in de zij. In de rechterhand hield hij een theedoek.
‘Als je hier niks komt drinken moet je oprotten!’ schreeuwde hij, ‘en ik wil die rommel hier niet!’ hij schopte tegen de schooltas.

Sneller dan je zou vermoeden trapte de jongen de barman zo hard in zijn buik dat deze ineenstortte voor zijn voeten. Nog driemaal schopte hij uit alle macht tegen de op de grond liggende man. Geluidloos. Het zweet liep hem in dikke stralen over het gezicht. De man op de grond kokhalsde en maakt soppende geluiden. Toen begon het meisje te krijsen.

De jongen kwam tot bezinning en sleurde haar mee naar de deur.
‘Hou je bek trut!’ gilde hij onbeheerst. De klapdeur was smal en in een soort vechtende verstrengeling rolden ze samen naar buiten, van het kleine trapje af.
De jongen sprong op en gaf ook haar twee harde schoppen en strompelde ongecoördineerd en half vallend weg, een oude man omvergooiend.
Het haar van het meisje zat voor haar gezicht. Ze krijste en huilde onbedaarlijk. De schooltas lag drie meter verder, de inhoud lag uitgekotst over de stoep. Naast wat vale schoolboeken was het plaveisel bezaaid met groene pilletjes.

Een groepje jongens op de fiets stopte naast het meisje. Ze smeten de fietsen naast zich neer en begonnen, elkaar verdringend, de pillen op te rapen. Een aantal jongens stopten er gauw een in hun mond. Hun haren groeiden en met donkergroene klauwen groeven ze tussen de tegels naar meer. Ze gromden. Twee van de gedrochten raakten in gevecht en sloegen elkaar heftig. Vlees en bloed spatten in het rond. De hemel kleurde zwart en rood. Klauwen groeiden uit tot blinkende messen die dreigend op haar afkwamen. Ze verstijfde totaal, maar opeens maakte de groep zich luid schreeuwend uit de voeten, hun vervormde fietsen meeslepend in een wervelstorm van stof.

Het meisje keek ze na. Ze was heel stil, maar had haar mond nog open. Ze zat rechtop op het trapje. Bloed stroomde uit haar neus. Haar ogen stonden glazig, met pupillen als speldenprikjes. Nerveus trok ze met haar mond en haar vingers waren onophoudelijk in de weer. Eerst met de puistjes op haar gezicht en daarna met de zweertjes op haar vingertoppen, ontstaan door het nagelbijten.

Het werd langzaam donker. In de verte huilden de wolven.