“Papa, hier zit een mannetje in!”

Job houdt de telefoon van papa in de lucht.
“Voorzichtig, Job, laat hem niet vallen, dan is hij stuk,” zegt papa.
“Ik laat hem niet vallen,” zegt Job.
“Maar er zit wél een mannetje in. Hierin,” zegt hij.

Papa pakt de telefoon. Hij draait hem om. En draait hem nóg een keer om. Maar hij ziet geen mannetje. De telefoon is uit.
“Ik zie geen mannetje,” zegt papa.
“En nu wil ik de krant verder lezen.”
Papa pakt de krant weer op en gaat verder lezen.

Job kijkt een beetje zielig. Er was toch écht een mannetje. Hij speelt met de knopjes op de telefoon. Er is een rood knopje en een groen knopje. En er zijn zwarte knopjes met witte nummers erop.

Opeens geeft de telefoon licht en hoort Job zachte piepjes. Job houdt de telefoon vlakbij z’n gezicht.

“Hallo! Vaatstra!” zegt de telefoon opeens, heel duidelijk.
Job schrikt zich een hoedje. Hij schrikt zó erg dat hij de telefoon laat vallen.
De telefoon rolt tussen de kussens van de bank.

“Wat doe je nou?” vraagt papa van achter de krant.

“Papa er zit een mannetje in de telefoon!” schreeuwt Job opgewonden. Zijn wangen zijn er rood van geworden.

“Ja ja ja,” bromt papa van achter de krant.
“Dat zei je net ook al Job. Een mannetje. In de telefoon.”
“Ja maar hij was er écht!!” schreeuwt Job.

Wat is die papa dom zeg!

“Hallo! Hallo! Vaatstra!” klinkt het van onder de kussens van de bank.
Papa hoort het ook. Verbaasd legt hij de krant opzij.
“Hoor je dat?” zegt Job.
Papa knikt. Hij hoort het ook.

De telefoon zegt nog een keer “Hallo!”
Papa en Job staan op van de bank. En gaan de telefoon zoeken. Ze gooien alle kussens van de bank.
Job lacht erbij.
“Je mag geen kussens van de bank gooien, papa!”
Papa lacht ook.
En dan zien ze de telefoon.

Papa pakt de telefoon.
“Hallo, met Vaatstra,” zegt papa.
Job hoort het antwoord niet, want papa houdt de telefoon stijf tegen zijn oor aan.
Papa begint te lachen aan de telefoon en zegt:
“Ha ha die gekke jongen zat met de telefoon te spelen. Hier heb je hem.”
Dan geeft papa de telefoon aan Job.
“Gekke jongen, het is opa. Je hebt opa gebeld, Job.”

Job pakt de telefoon.
“Had ik tóch gelijk papa, er zat tóch een mannetje in de telefoon. Het was opa!”

Papa lacht en Job gaat met opa praten:
“Dag opa!”
 
 
29/01/2011: Geschreven voor Bauke om voor te laten lezen door juf