09-09-2011. Het is zo’n avond dat je je werkelijk moet haasten om de kroeg in te komen. Agressieve regen kletst het zorgvuldig gekapte haar als een klef douchgordijn over het voorhoofd. Ik betreed genoemd drinklokaal, echter slechts om te eten, want dat kan ook.

Ik tref er Lolle. Dankzij de zich vernauwende wereld op internet had ik hem, na zeer lange tijd, bij toeval weer ontmoet en is na al die jaren het contact sinds kort gewoon voortgezet waar het destijds was blijven steken. Mijn inziens is dat een teken van vriendschap. Het weerzien is dan ook, zoals altijd, hartelijk.

We zitten nog maar net luidruchtig te babbelen of het gevoel van weleer treft mij andermaal doordat de deur openzwaait en Theo in de deuropening verschijnt. Ook Theo was een schoolgenoot, echter uit een ander echelon. Jaren voor de eerste ontmoeting met Lolle zat ik met Theo in een ander klasverband slecht op te letten.

Theo kan mijn herkenning niet direct retourneren. Dat kan ik hem ook moeilijk kwalijk nemen. Ik lette zó slecht op in die klas dat ik na een klein jaar alweer vertrokken was. Bovendien was Theo van het type dat enigszins weeïg jaloers maakt doordat, daar waar ik plaatsnam in een leunstoel of op kantoor, hij zoveel avonturen beleefde dat er voor triviale herinneringen geen plaats is waarschijnlijk.

Een reminiscentiebult heet dat. Levendige gebeurtenissen in een bepaalde periode blijven zeer scherp voor de geest hangen op latere leeftijd, terwijl de periodes voor en na die gebeurtenissen meer in de vergetelheid raken. Ik ben duidelijk een exemplaar van voor Theo’s reminiscentiebult.

Na het eten gaat Lolle buiten staan roken en spreekt Theo mij aan. Hij wil toch nog even weten wanneer ik hem ontmoet had. Als ik hem vertel dat ik ook wel bij hem thuiskwam worden zijn ogen wat groter en zie ik achterin zijn hoofd een begin van herkenning, maar ’t is niet overtuigend.

Ik vraag hem of hij nog steeds zingt. Als leadzanger van bekende bands als Hollands Verdriet en Diep Triest heb ik hem van zeer nabij zien optreden. Vol verve, met een energie die de zaal inspoot. Ook in latere jaren ben ik hem min of meer blijven volgen, als ik hem weer eens aangeplakt zag staan of als hij langszoefde op de televisie of in de krant. Ik realiseer me dat ik al een tijdje niks over hem heb gehoord.

Ik bekijk hem nog eens goed en probeer de uiterst levendige slanke lange jongen te ontdekken die daar met zo’n luid vuur op het podium zong. Ik zie hem niet. Natuurlijk, de vollere gestalte is ook mij niet vreemd. Maar de wilde haren zijn ook weg. Zijn antwoord verrast mij ook niet.
“Zingen? Nee, niet meer. Ik heb een jaar sabbatical”

Het klinkt wat moe. Niet desastreus. Gewoon, wat moe. Het lijkt me op zich al een goede reden voor een sabattical. Ik kan toch een onderzoekende blik niet helemaal wegdrukken. Theo ziet het.
“Ja weet je”, zegt hij, “dat gehos voor die overvolle zalen en dat meebrullen, dat bier, die hoempapa. Het houdt een keer op. Ik was er zat van. Ik heb een tijdje niks gedaan.”
“Ach, zing je helemaal niet meer?” vraag ik verbaasd.
“Nou, weet je, ik heb wel ideetjes over wat ik wil gaan doen. Ik heb nu een combootje. Gewoon heel klein. Ik zing liedjes van vroeger. Je weet wel, Jacques Brel, Ramses Shaffy. Dat werk. Ik had laatst een optreden en dat is dan gelijk uitverkocht. Maar een zaaltje van tachtig man, weet je wel. Gewoon heel rustig. Intiem.”

Hij kijkt me aan. Ik snap hem helemaal. Want allemaal zijn we op den duur zat van hossen en schreeuwen en feesten met projectielkotsen en doorweekte kleding. Niet voor niets hebben doorwrochte wachtruimtes bij relatietherapeuten tegeltjes aan de wand met het opschrift Verandering van spijs doet eten. Theo was gewoon klaar met het genre. Zoals de boekhouder leeuwentemmer wil worden of de manager die op de markt wil gaan staan.

I’m nothing more than what you actually see, but I am also the complete opposite, zong iemand eens. Theo bewijst het. Ik wens hem veel succes met zijn à la Chanson liedjesprogramma.

 
theo-driessen