Utilisme: Mill

Achtergrond
Je moet kritisch kijken naar Mill omdat hij heel losjes redeneert en vrijelijk combineert. Hij heeft voornamelijk zelfstudie gedaan en was lid van het parlement. Harriet Taylor had grote invloed op hem en later zijn ze getrouwd. Zijn werk voornamelijk ontstaan door als reactie op Bentham. Na een depressie vond hij Bentham’s werk te technisch met te weinig gevoel. Hij wou het werk van Bentham herzien.

Utilisme
Consequentialistische ethiek definieert het juiste als hetgeen het goede of juiste bevordert en beoordeelt handelingen dus uitsluitend aan de hand van het gevolg ervan. Ook is het eudaimonistisch: goed en waardevol is wat mensen gelukkig maakt. Het geluk van iedereen moet bevorderd worden: het grootste geluk voor het grootste aantal (universalistisch). Binnen consequentialistische theoriën zijn grote verschillen. Er is ook een perfectionistische variant (Aristoteles/Nietzsche) die zegt dat naar mate meer creatieve activiteit de mens beter is, ongeacht de mate van geluk (ideale mens-zijn).

Mill
Mill hangt een meer een niet-perfectionische vorm aan. Centrale waarde is dan ervaring van geluk, hoe dan ook. Toch neigt Mill af en toe richting Aristoteles; het ideale mens-zijn. Mill doceeert ook een sociale moraal: hoe mensen onderling zich gedragen en waaraan ze elkaar moeten houden. Bij een persoonlijke moraal verplicht een individu zichzelf (Levinas/Kant). Mill stelt dezelfde eisen aan sociale en persoonlijke moraal.

Utilisme bewijzen
Geluk kan een doel zijn van het handelen (1). Plezier is nastrevenswaardig en kan door een individu worden overgenomen. Het ervaren van het geluk van de collectiviteit. Meevoelen met andermans geluk. Probleem is of ieder geluk voor ieder geldt of dat er persoonlijk geluk is. Mill zegt namelijk niet dat ieders geluk door iedereen moet worden nagestreefd. Dit is vrij omstreden. Eigenlijk is dit een theorie die zegt dat allen altijd naar genot moeten streven.
Geluk is het enige doel van het handelen (2). Er zijn ook andere doelstellingen mogelijk zoals deugd. Intrinsiek goed is goed op zichzelf. Extrinsiek (instrumenteel) goed is goed voor anderen. Instrumenteel goed kan echter leiden tot intrinsiek goed middels een associatieproces. Geld roem en macht kunnen na het associatieproces een onderdeel van het intrinsieke geluk vormen. Dan geldt ook voor een deugd; aanvankelijk een middel en later een doel. Vanzelfsprekend is dit allerminst. Kant zegt dat plicht en neiging zelden samenvallen, Mill maakt van de uitzondering regel.

Plezier
Nauwelijks omschreven door Mill. Plezier is geluk en is het enig doel van menselijk handelen. Muziek, geld, macht, roem, deugd. Mill verijst hier naar Bentham met een soort kwalificatie. Bij het bepalen van de waarde van genoegens moet ook de kwaliteit worden meegenomen. Dat gaat boven kwantiteit. Dit is een verschil met Bentham en blaast in feite hele calculus op omdat Bentham juist objectiviteit voor staat. Het monisme van het grootste geluk voor het grootste aantal geeft Mill eigenlijk op en vervangt hij door vormen van geluk waarvan onderlinge waarden niet meer vast te stellen zijn. Welke vormen van geluk zijn dan te prefereren?

Onderscheid in plezier
Mill stelt dat de keuzes voor geluk niet uitwisselbaar zijn, maar mede bepaald worden door eigen voorkeur en omstandigheden en alternatieven. De calculus houdt ook geen rekening met verschuiving van perspectief van iemand zodat de andere keuze toch beter is. Vreemd is dat Mill zegt dat een tribunaal kan oordelen over wanneer iets plezieriger is dan het ander, bestaand uit mensen met levenservaring. Die onderscheiden drie vormen van plezier. (1) Dierlijke genoegens. Louter zinnelijk. (2) Geestelijke genoegens. Gecultiveerde personen met belangstellingen. (3) Morele genoegens. Sociale gevoelens van de mensheid, deugd. Uiteindelijk vat hij (2) en (3) wel samen en maakt onderscheid tussen verheven mensen en louter dwazen. In dit verband stelt Mill dat mensen van nature sociaal gemotiveerd zijn en ook bv het oordeel van competente rechters aanvaarden. Bentham ging meer uit van het egoïsme en legt veel meer nadruk op de externe sancties, met name de politiek sanctie.
Utilisme vindt de opoffering van eigen geluk zonder dat het algemene geluk toeneemt irrationeel maar heeft wel bewondering voor martelaarschap.

Utilisme sociaal en politiek
Gegeven van de ervarene die de lagere advies geeft gaat mank van twee kanten: de ervarene kent de lagere kant niet en de lagere is niet edel genoeg om advies te vragen. Aan de andere kant is de weg van lager naar hoger geluk brengend en men wil ook niet terug. Politiek bezien zou dit vertaald kunnen worden naar zelfopoffering ten bate van het geheel, door een rechter afgedwongen. Mill betreurt dit ook omdat het eigenlijk mooier is als mensen dit doen vanuit eigen beweging. De politieke gezagsdragers hoeden over het algemeen belang, zij beschikken over politieke sancties. maar ja: wie benoemt de competente rechters? Zijn ze dan ervaren en wie kiest ze, niet de lageren (de zwijnen). Al met al is Mill hiermee antiliberaal: bijdragen onafhankelijk van de groep is niet mogelijk. Bovendien verheft het mensen boven andere. Hij is ook anti-democratisch hierdoor.

Liberalisme
Desondanks is er een pleidooi van Mill in later werk voor vrijheid en democratie. In hoeverre mogen staat en samenleving druk uitoefenen op individu? Ook in een democratie kunnen meerderheden minderheden zaken opleggen. Ook via informele sancties door de meerderheid, hetgeen nog kwalijker is dan dwang via wetten. Daarom moeten er grenzen worden gesteld, onafhankelijk van voorkeuren van meerderheid.

Vrijheid
Het eigen goed op een eigen manier nastreven, zonder ontnemen van het goed van een ander, of in de weg staan. Doen wat men wil. Belemmeringen zijn in de breedste zin van het woord. Ook het uitblijven van hulp bij acute nood is een belemmering. Macht der gewoonte is een interne belemmering. Vrouwen hebben belemmeringen door mooi voor mannen te moeten zijn, zelfs zonder bewustzijn hiervan. Ook een wens hoger op een schaal die niet kan worden uitgevoerd door een wens op lagere schaal is een belemmering.

Gedrag
Men is verantwoordelijk voor het gedrag dat anderen raakt. Over zichzelf heeft men soevereine macht. In geval van contact met anderen wordt vrijheid dus ingeperkt (niet schaden). Het privédomein is dat wat overblijft als men anderen niet schaadt. Ook een gestolen fiets (hoewel schade) mag men niet terughalen omdat men dan het privédomein binnentreedt. Schade tussen groepen gaat ook vrij ver en behelst ook geloofsuitingen als het eten van varkensvlees of riten die de andere groep dan weer walgelijk vindt. Mill maakt onderscheid tussen gedrag dat persoon in kwestie raakt of hem slechts ergert. Alleen zijn de grenzen dan weer onduidelijk. Christenen mogen wel varkensvlees eten maar ook op de stoep van een moslim? Mill komt dan met binnenshuis en buiten. Dit is onbevredigend uitgewerkt in ieder geval.

Schadebeginsel
In brede zin: het dwarsbomen van iemands vervulling van wensen. Gaat van geen loonsverhoging tot geen kaartje in de bios. In smalle zin: iemands legitieme wensen dwarsbomen. Dan is alles toegestaan wat niet door wet is verboden. De brede zin sluit te weinig uit, de smalle echter teveel. Er zijn rechten die nodig zijn voor een samenleving met respect voor vrijheden. Dit zijn de vitale regels. Elkaar zoveel mogelijk vrij laten en vrijheid beschermen.
Daarnaast zijn er ook variërende belangen per samenleving. Die regels zijn legitiem die mensen maximaal de kans geeft; een utilistische test. De vraag is of te stringente regels dan overtreden mogen worden. Mill is ook hier niet duidelijk. Schade kan ook nog ontstaan namelijk door iets na te laten. Daarmee wordt het bijna ondoenlijk nog iets voor jezelf te doen omdat je altijd wel iemand kan helpen. Mill noemt dan het kwaad geschiedt door de nalatigheid ter voorkoming een uitzondering. Mill zegt dat een billijk beginsel moet worden gehanteerd voor ieders deelname aan inspanningen en opoffering ter voorkoming van schade.

Van vrijheid naar geluk
Vrijheid is niet genoeg. Je moet willen om keuzes te maken ten bate van het goede leven. Critici zeggen dat je dan kiest wat de massa niet kiest en daarmee nog steeds onvrij bent. Non-conformisten zijn even onvrij als conformisten. Mill stelt dat je kritisch moet kiezen wat van waarde is binnen gewoonten en tradities. Wellicht zelfs proefondervindelijk de waarden van leven ontdekken. De mens is geen onbepaald materiaal naar willekeur te modelleren, maar de mens kan leren onderkennen wat zijn eigen kwaliteiten zijn en de mogelijkheden. Plezier neemt toe naar mate die bekwaamheid toeneemt.

Paternalisme
Iemand kun je niet dwingen tot handelingen omdat het in de mening van anderen juist of moreel is. Individu heeft soevereine macht over zichzelf. Toch zegt Mill dat je iemand van een onveilige brug oid moet aftrekken. Oplossing zit hem erin dat als iemand bewust nadeel voor zichzelf wil dit recht heeft, maar als hij dit onbewust doet dan mag je hem tijdelijk uit de soevereiniteit halen. Dit is zacht paternalisme. Ingrijpen terwijl de persoon zich bewust is, is hard paternalisme. Je mag dus je vrijheid opgeven, maar nooit onherroepelijk. Mill ageert hier ook erg tegen het huwelijk in zijn huidige ongelijkheidsvorm. Hij ageert ook tegen overheden die onherroepelijke regels formuleren. Mill verzet zich tegen hard paternalisme. Gevaar blijft dat iemand ingrijpt als iemand een handeling doet met nadelige gevolgen, dat is rekbaar. Paternalisme gaat dan ten koste van vrijheid.

Liberalisme en utilisme
Mill vindt eigenlijk een liberaal utilisme uit. Mensen hebben voorkeuren die ze rangschikken, en hebben hogere en lagere genoegens. Klassiek utilisme erkent geen hogere en lagere wensen, maar wil grootst mogelijke wensvervulling waarbij wensen gelijk zijn in principe. Mill brengt juist een rangschikking aan, waardoor hij eigenlijk niet meer utilistisch is. Mill stelt ook dat mensen gelukkig zijn wanneer ze slagen in wat ze willen doen, in plaats van dat daden middelen zijn tot een bepaald doel. Vrijheid wordt onafhankelijk van geluk of totaliteit van het geluk, maar gaat erom of je onbelemmerd kan doen wat je wilt.
Utilisme heeft niet veel op met het individu. Veel personen worden gefuseerd tot een persoon. Bovendien: als A en B zich zijn kunnen ze Z opofferen voor zijn organen. Er zijn dan twee mensen over met geluk ipv dat er twee sterven ipv een. Het doel heiligt dus niet de middelen, middelen moeten een morele grens hebben. X hoeft zich ook niet vrijwillig op te offeren, hij is niet een middel.