Rillend, als een chirurg met slaapgebrek, loop ik langs de grachten in Utrecht. Hongerig betreed ik een eetcafé. Vreemd genoeg staat de deur wijd open, terwijl buiten de frisse middagwind noopt tot kippenvel.

Ik zoek dringend naar een toilet, maar kan het niet vinden. Ik draai me om en kijk de serveerster recht in het gezicht. Een lief poppengezichtje met grote ogen, die zich met tranen zouden vullen bij het zien van bejaardenleed, kijkt me hulpeloos aan.
‘Het toilet,’ stamel ik al even hulpeloos. Het was een lange autorit naar Utrecht.

Zonder woorden wijst ze naar een steile wenteltrap. Ik waag me er op en krakend en wiebelend begeef ik me richting catacomben van het eetcafé, eerst mijn voorhoofd krachtig stotend aan de balk met het opschrift: PAS OP, BUKKEN!

Als ik weer boven kom staat de serveerster nog steeds waar ik haar achterliet. Met grote, opengesperde ogen kijkt ze me ademloos aan. Ik moet er wel heel hongerig uitzien.
‘Heeft u ook tosti’s?’ vraag ik geagiteerd. Ze knikt.
‘Doet u mij maar een tosti,’ waag ik, ‘en doe er maar een koffie bij.’

Ze knikt, draait zich abrupt om en loopt richting bar. Ik volg haar maar en ga aan de andere kant van de tap zitten. Ik zie hoe ze overlegt met een oudere vrouw, die het type Bar goed aan te zien is.
‘Koffie dus,’ hoor ik in de verte, ‘kijk, dan toets je hier op het scherm bij Koffie. Zie je wel? En een tosti wil hij? Nou kijk, hier staat Tosti, zie je wel? Druk er maar op.’

Het lijken mij geen enorm ingewikkelde instructies, maar ze staat met open mond toe te horen, alsof het bartype haar het woord Desoxyribonucleïnezuur tien keer snel achter elkaar probeert te laten zeggen. Met voorzichtige vingertjes beroert ze het vlekkerige touchscreen.
‘Je moet wel wat harder drukken,’ hoor ik.

Met een dreun valt de deur van het café in het slot. Een pas besnord jong heertje probeert het groeisel kracht bij te zetten door na de knal nog even naar de serveerster te knikken, zoals we Stan Laurel dat vroeger zagen doen. Zo, dat is dat.
‘Het is zo koud,’ voegt hij nog toe. Hij draait zich om en loopt stoer naar de pas verworven vriendin, die een tafeltje verderop zit. Hij houdt de armen daarbij wat van het lichaam verwijderd, alsof zijn oksels geteisterd worden door zware steenpuisten.
Maar hij loopt te langzaam.

‘Opgepast!’ schalt een zware stem, en een reusachtige chauffeur rijdt een al even reusachtige kar met grote kratten door het kleine café. Omdat de jongen te langzaam loopt raakt de kar zijn hak en wordt hij richting nieuwe vriendin gelanceerd. Als hij zich verontwaardigd omdraait is de chauffeur al weg en meesmuilend gaat hij maar zitten, dat de deur wederom openstaat neemt hij maar op de koop toe.

Daar is de serveerster met de koffie voor vriend en vriendin. Ze heeft het op een klein dienblaadje geplaatst, maar als ze het eerste kopje op de tafel zet bukt ze te diep, waarbij ze het dienblaadje te scheef houdt en het tweede kopje op schoot bij de versbesnorde jongeling belandt. Hij kermt het uit. Een typisch geval van je dag niet hebben, lijkt me.

Onthutst maakt de serveerster zich uit de voeten om even later terug te keren met een viezige poetsdoek. Monter wil ze de schoot van het heerschap schoon gaan poetsen. Maar dan grijpt de vriendin krachtig in. Er zijn grenzen aan de service.

Als ik na deze gratis slapstick uitgelachen ben en de rust terug is hoor ik:
‘Kijk, dan maak je even een bordje met wat sla erop en een tomaatje. Als de tosti klaar is dan leg je die er op.’

Met lede ogen zie ik hoe de vingertjes van het vlekkerige touchscreen en de viezige poetsdoek de tosti in gereedheid brengen. Vol trots, met stralende ogen, wordt het resultaat mij even later gepresenteerd.
Tegen zoveel onbedorvenheid kan ik niet op en de honger is tot waanzin gerezen. Gretig hap ik het weg.

Na het omstandig betalen met het pinapparaat, waarbij ik u de moeizame details over mislukte betalingen door foutieve bediening zal besparen, vervolg ik mijn weg.

’s Avonds had ik diarree.