Daar stonden ze, de mannetjes. Niet de drie kleine ventjes die hen omringden, nee, ze waren het zélf. Mannetjes. Stoer.
Ze hadden kale koppen en stoere, glimmende bomberjacks. Want we zijn een stoer volk. De G-Star spijkerbroeken hadden de juiste lage kontzakken en de broeken hingen op de juiste hoogte, halverwege de merkonderbroek. Krokodillenleren schoentjes eronder. Klaar!
Mannetjes.

De mannetjes hadden, behalve kinderen, ook vrouwtjes bij zich. Het gezelschap nam plaats aan het tafeltje naast mij.
‘Jas uit!’ beet een van de mannetjes zijn zoontje toe, ‘jas uit en zitten!’
Gedwee nam het jongetje plaats op de door het mannetje voor hem uitgekozen stoel. Een bleek melkmuiltje, met wat te lang, vlasserig haar. Niet stoer.
Het andere mannetje keek dit eens aan, maar hielp toch zijn eigen zoontjes even met de jas. Misschien was dit mannetje bij nader inzien niet helemaal een echt mannetje en deed hij het andere mannetje maar wat na.

Ondanks het vroege ochtenduur zaten beide mannetjes al snel achter het bier. De tatoeages sprongen van de getrainde armspieren. Het heffen van het glas bleek een gymnastische toer te zijn, die met gespannen borstpartij uitgevoerd werd. De mannetjes hadden slechts oog voor elkaar. Met staccato opmerkingen, die weer ruwe antwoorden sorteerden. Want we zijn een stoer volk.

‘Drink je glas leeg!’ snauwde het eerste mannetje naar zijn zoontje. Hij zette zijn zonnebril, die halverwege zijn kunstmatig kale schedel hing, even recht. Mannetjes lachen vrij weinig. Ze kijken liever licht agressief, vanonder een permanente frons, de wereld in.
‘Ik mot naar de plee,’ repliceerde het zoontje.
De vader produceerde een luide vloek, die de eetzaal in een keer verstomde. Hij stond wild op, gaf het zoontje een tik tegen het achterhoofd en pakte hem ruw bij de schouder.
Nu spanden míjn spieren zich.

Maar het zoontje was wel wat gewend blijkbaar en draaide zich handig uit de handgreep. Hij rende naar de uitgang van de eetzaal en het mannetje sjokte er achteraan op een manier die hij had afgekeken van Hulk Hogan. Maar tijdens een van diens laatste worstelprogramma’s weliswaar, want echt soepel zag het er niet uit.

Toen ze terugkwamen zag ik dat een en ander waarschijnlijk niet helemaal naar believen van het mannetje was verlopen. Het zoontje rende weer vooruit. Op zijn broek was een grote, natte plek zichtbaar. Het mannetje kwam er weer achteraan gesjokt en keek zeer dreigend de eetzaal rond, bereid iedereen neer te slaan die ginnegapte. Walgend wendde ik me van hem af en keek naar het zoontje.

Het kereltje lette absoluut niet op en rende pardoes tegen een passerende kelner aan. Een groot dienblad met cola en bier tuimelde op de grond met werkelijk donderend geraas. Een aantal vrouwen gilde even. Andermaal was het op slag stil in de eetzaal.

Middenin de ellende zat het jongetje. Hij begon hard te huilen. De plasvlek was niet meer zichtbaar, want zijn hele broek was nu nat, door cola en bier. Zijn moeder kwam aangesneld, samen met een andere ober en een dame op leeftijd, die in elk kind een zorgobject zag omdat de kleinkinderen in Saudi-Arabië woonden. Samen begonnen ze het jongetje te troosten.

Van het jongetje keek ik weer naar de mannetjes. Het volgzame mannetje wist zich niet zo goed een houding te geven. Wat het zoontje zojuist deed was immers niet al te stoer. En we zijn liever een stoer volk. Hij probeerde het met een scheef lachje, maar vond geen bijval.
De boze vader zat alweer en keek nors voor zich uit. Hij nam een slok bier en keek toen met een sombere blik langs mij heen, naar de auto’s op de A9.
Traag schoof een vrachtwagen voorbij. Op de oplegger stond de mededeling te lezen:
Dieren zijn vrienden. Eet ze niet op.

Geldt niet voor vaders, vrees ik.
Eet smakelijk.

 
image37a