Home » Zieligemensen » Vergane glorie (2)

Vergane glorie (2)

Het voelde nat. Heel erg vaag herinnerde hij zich de katoenen luiers van Lex. Als hij dan een keer moest oppassen op het kind vergat hij steevast de verschoning, waardoor billen, luiers en lakens van Lex doorweekt waren met urine. Ans kwaad bij thuiskomst. Reeds van verre zag ze de haastig uitgewassen lakens aan het balkon hangen.

Maar zo lang geleden. Hij zuchtte een trieste zucht en verschoof ongemakkelijk in de rolstoel heen en weer. Zijn eigen luier plakte nadrukkelijk aan zijn onderrug. Hij rook zichzelf. Hij schoof nog eens heen weer en nog eens en nog eens, met een steeds roder wordend hoofd.
‘Ja kom mij nou toch eens helpen JA!!!’ Hij brulde het uit en keek woest om zich heen. Dertig jaar leiding geven in een zeer hoge positie hadden hem doorweekt met verwachtingen aangaande het effect van zijn woorden. Maar hier op de zaal keken de andere bewoners hem met grote ogen aan. Een enkeling verreed de rolstoel zodanig dat hij uit het zichtveld verdween.

Eindelijk verscheen er een verpleegster. Hij had haar nog nooit eerder gezien en dat vond hij onmiddellijk vervelend. Zo’n vreemde vrouw die aan je kont zat, bah.
Ze reed hem kordaat door de gang naar zijn kamer. Het linkervoorwiel van de rolstoel gaf bij elke omwenteling een piepje. Het enige geluid in de gang. Na de norse, korte knik die de verpleegster hem had gegeven was er geen woord gewisseld.

‘Zo gaat u hier maar even liggen meneer Torens,’ zei de verpleegster gemelijk. Ze hielp hem uit de stoel en hielp hem op het bed. Ze trok zijn broek uit. Niet erg zachtzinnig.
‘U kent mij?’ mompelde hij maar. Hij lag nu met ontbloot onderlichaam op het bed terwijl de verpleegster rommelde met de katheter.
‘Ik ken u wel, meneer Torens,’ zei de verpleegster zacht, ‘u bent tien jaar de manager geweest van mijn man. Bij Vuldex.’
‘Ah,’ zei meneer Torens, ‘ja dat kan kloppen. Ik werkte daar.’
‘Hij ook,’ zei de verpleegster, ‘totdat u hem ontsloeg.’
Zijn adem stokte. Het was zeer stil in de kamer. Op de gang hoorde hij een rolstoel passeren omdat een van de wieltjes bij elke omwenteling een piepje maakte.

‘Ik zag u meteen zitten vanmorgen,’ zei de verpleegster na een hele lange pauze. Ze had hem zijn broek weer aangedaan en hem in de rolstoel geholpen.
‘Weet u,’ zei ze, en ze leunde tegen de muur en keek over zijn hoofd naar buiten door het raam. ‘Weet u, Anko heeft dat nooit kunnen verwerken. Hij was gebroken toen ik hem thuis kreeg.’
‘Ik, ik, als ik wist,’ begon meneer Torens.
‘U was de hoge baas, en het was zijn woord tegen het uwe. U was de hoge baas.’ Ze keek verdrietig naar buiten, nog steeds niet naar hem.
‘Ik..ik,’ probeerde hij. Hij verstomde.
‘Uiteindelijk werd hij ziek, ziet u,’ zei ze. Ze zuchtte weer. ‘Hij kon het niet verkroppen. Na een lange tijd van heel veel ruzie werd hij ziek. Ik kon toen voor hem zorgen. Maar ik vond het erg moeilijk. Hij had me zo erg uitgescholden dat ik niet meer van hem hield. Pas toen hij uiteindelijk overleed begon ik hem te missen.’
Ze keek hem aan. Donkere, felle ogen, met een zweem van verdriet. Hij kon haar niet aankijken en liet zijn hoofd zakken.

Ze pakte resoluut de handvatten van de rolstoel en duwde meneer Torens terug naar de zaal. Ze zette hem voor het grote raam, met de rug naar de anderen. Zonder nog iets te zeggen beende ze weg.

Meneer Torens zat roerloos in zijn rolstoel. Met grote ogen keek hij door het grote raam naar het verleden. Hij stond op een podium te spreken. Iedereen keek met open mond naar hem. Er was applaus. Meneer Torens ging wat verzitten in zijn rolstoel en hield zijn hoofd in zijn nek. Hij deed zijn hoofd zover mogelijk naar achteren. De katheter zat blijkbaar weer niet goed. Langzaam verscheen er een plasje op de vloer. Meneer Torens merkte het niet.
Hij glimlachte.