Vergane glorie

Ik ben op bezoek in een heuse overheidsinstelling. De beveiliging is excessief, kennelijk beseft de overheid eindelijk dat informatie over burgers niet op straat hoort te liggen. Maar misschien zijn ze ook gewoon bang voor gekken die over de afdeling gaan schreeuwen. Ja, ze bestaan.

Ik heb me al aangemeld, maar moet even wachten op de meneer die me gaat ophalen. Ik lummel maar wat rond in de grote hal, die het splinternieuwe gebouw rijk is. Verbaasd stuit ik op een meneer zonder benen. De man is vrij bejaard en zit in een rolstoel.

Hij hangt maar wat in de rolstoel en kijkt verlekkerd, over de poortjes heen, naar de ingewanden van het gebouw. Daar heerst veel actie, met rondlopende mensen.
Je kan alleen door de poortjes met een pasje. Dat pasje krijg je van de bewaking, maar niet eerder dan dat je wordt opgehaald.

Dat de man geen benen heeft verbaasd me niet zozeer. Ja, zulke mensen bestaan. Helaas, voor hen. Het is meer dat de rolstoel zeer onhandig staat opgesteld, pal voor een van de poortjes. Het is erg druk en de mensen moeten zich langs de rolstoel wringen om door het poortje te kunnen. Omdat we zo’n vriendelijk volkje zijn wordt er met regelmaat tegen de rolstoel aangelopen, zodat de man met kleine schokjes langzaam een kwartslag draait en me na enige tijd aankijkt.

Zijn blik staat verontwaardigd. Net als ik hem groot gelijk geef in mijn hoofd hoor ik vrij luid achter de balie:
‘Ja hij staat daar wel wat in de weg! Heb je nog een keer gebeld, Ans?’
‘Ik ben even bezig,’ antwoordt Ans koeltjes, ‘maar volgens mij neemt er niemand op hoor!’
‘Hij moet daar weg, hij staat in de weg,’ hoor ik weer.
Ik kan de spreker niet zien, maar gezien zijn toon en woordkeus stoort me dat bepaald niet.

Opeens komt de man in de rolstoel in beweging. Zeer langzaam wielt hij naar de balie.
‘Kan ik echt niet naar binnen?’ zegt hij op zeer verongelijkte toon, ‘ik heb hier zevenentwintig jaar gewerkt en altijd kon je zo naar de kantine! Zevenentwintig jaar! U kent mij kennelijk niet, maar de gehele zevende verdieping stond onder mijn leiding. Mulder, is de naam!’
‘Meneer, ik heb u al twee keer verteld dat ik u niet binnen mag laten! Dit is het nieuwe gebouw, dat ziet u toch?!’ sommeert Ans boos.
Ik heb weinig waardering voor de bewaking.

De man, met toch al een kleine gestalte krimpt ineen bij de snerpende toon.
‘Zevenentwintig jaar,’ stamelt hij, ‘ik heb hier zevenentwintig jaar gewerkt en ik kon altijd zo naar binnen. Ook naar de kantine!’

Maar Ans is alweer aan de telefoon en de andere spreker hoor ik vertrekken middels een luid slaande deur. Als mijn meneer eraan komt en ik het pasje heb ontvangen, kan ik wél door het poortje. Als ik in de lift sta kijk ik nog een keer langs de dichtschuivende deur.

Middenin de hal staat de rolstoel met de fragiele gestalte. Gedesillusioneerd kijkt de man naar het hoge plafond. Mensen snellen links en rechts langs de rolstoel.
Dan is de deur dicht en snelt de lift naar boven. Ik heb het benauwd en denk weer aan Nietzsche:
Een beroep is de ruggengraat van het leven.

 
image45