Als scholier had ik vakantiewerk als postbode, in de tijd dat het bedrijf nog in de trage doch solide handen was van baas Staat. In de nachtdienst, die ik regelmatig draaide, werd de post gesorteerd. Een doorwrochte klus, die toen nog met de hand uitgevoerd diende te worden.

In een van die nachten kwam ik Teun tegen. We mochten elkaar direct. Teun’s begripsvorming werkte wat trager dan bij de gemiddelde mens. Hij had niet een duidelijk gedocumenteerde afwijking, maar was wat simpel van geest, meer niet. Het kopje thee drinken in de kantine duurde bijvoorbeeld wel een half uur, omdat Teun het theezakje aandachtig honderd keer op en neer liet gaan in het glas. Zo was Teun. Omdat collega’s doorgaans zo vriendelijk zijn, werd Teun vaak ‘de thee-zak’ genoemd.

Hoewel Teun zelfs traag was volgens ambtenaarbegrippen mocht hij toch bij de Post werken. De Post kreeg een extra bedragje toegeschoven uit de staatskas en zo kon Teun mooi meedoen met het arbeidsproces. Aanvankelijk liet men Teun ook post sorteren, maar toen hij een ludieke manier van sorteren uitvond, door alleen op de huisnummers te letten en geen acht sloeg op de bijbehorende straatnamen, liep het uit de hand. Raadslid ter Borg kreeg de salarisstroken van Geelsma in de bus en dominee Klomp zat te studeren op de dubieuze catalogi van Mulder. Dat leverde klachten op.

Teun kreeg toen een onduidelijke functie op de afdeling. Niemand wist precies wat hij deed, hij wás er gewoon. Ik sprak wel eens met hem in die lange, lege uren van de nachtdienst. Veel zei Teun niet, gewend als hij was aan een laatdunkend gehoor.

Ik was zeer verrast toen Teun op een gegeven moment geknipt en geschoren op de afdeling verscheen. Hij had zelfs een nieuw jasje aan en dichtbij hem staand rook je niet de zurige lucht, die hem steevast omringde, maar een odeur van aftershave van een merk uit de vorige eeuw, waarbij Fresh-up en Old Spice om de eer streden.

‘Ik heb verkering,’ fluisterde hij, vlak bij mijn oor. Ik genoot een zeker vertrouwen bij hem.
‘Ik ga vanavond weer naar haar toe.’
Na deze openbaringen tuimelde ik bijna van de sorteerkruk, maar wist mij meesterlijk te herstellen.
‘Fijn voor je Teun!’ riep ik maar.
Maar Teun zweefde al naar elders.

Aan het eind van mijn dienst trof ik hem weer.
‘Ik ga naar huis. Ga je ook naar buiten?’ vroeg ik.
Teun keek wat bedrukt.
‘Nee,’ zei hij, ‘als de gordijnen dicht zijn mag ik niet aanbellen bij mijn vriendin. Dan heeft ze bezoek. Dat mag niet. Dan moet ik buiten wachten. Ik was er al, maar ben weer teruggegaan. Het is zo koud.’

Verbijsterd keek ik hem aan toen de werkelijkheid tot mij doordrong.
‘Maar ik ga het tóch nog een keer proberen!’ riep Teun vrolijk. En hij beende langs mij heen de nacht in. Een vrolijk man. Verliefd.

Lang keek ik hem na. Ik vond hem zielig, maar dacht ook aan Nietzsche:
Love is not consolation.  It is light.

 

image26