Verpleeghuis

Het met moedeloze, grauwe bakstenen opgetrokken verpleeghuis zag er niet uit alsof het veel verlichting zou schenken aan patiënten die er, omwille van gerief en herstel, een goed heenkomen zochten. De zwaar bewolkte lucht erboven droeg ook niet bepaald bij aan een sfeer vol rust, reinheid en regelmaat, zodat de verwachte geur van talkpoeder en Lysol werd weggeblazen door de herfstwind, die de eerste regendruppels meevoerde. Ik stapte binnen in dit plaatje van Bram Stoker en wurmde mij nog net op tijd door de draaideur, want achter mij klonk de eerste donderklap.

De desolate hal die ik betrad leek me ontworpen door iemand met weinig gevoel voor zorg, aangezien de afmeting dusdanig groot was dat dit ten koste was gegaan van de ruimte die er overbleef voor de kamers voor de patiënten. Het was er doodstil. Op zich leek me dat welgevallig in een verpleeghuis, maar het maakte me wat zenuwachtig. Ik sloop op mijn tenen door de gangen, wat bevreesd dat er onverhoeds een deur open zou zwaaien en een corpulente verpleger mij ter verantwoording zou roepen wegens geproduceerd kabaal.

De kamer van Beatrijs bleek leeg te zijn. Daar er slechts een bed in gebruik was legde ik de meegebrachte bloemen voorzichtig op de dekens. Er stond een tafel bij het raam met vier stoelen. Ik nam plaats.

‘Goedenavond, u komt voor mevrouw Borgharen?’
De stem knalde door het kleine vertrek en even leek het erop dat ík acute verpleging nodig had, maar ik herstelde me meesterlijk. Ik raapte het foldertje van de grond, dat ik pardoes had laten vallen, en keek op. Voor me stond een ranke verpleegster met een vriendelijk gezicht, dat me deed denken aan een zoet snoepje met een roze papiertje eromheen. Buiten brak de zon alweer door en zette de kamer in een felle avondgloed. Bram Stoker haalde de schouders op en sjokte verongelijkt weg.

’Jazeker,’ zei ik, en ik zette mijn vriendelijkste gezicht op, ‘ja, ik kom voor Beatrijs inderdaad.’
‘Ze komt er zo aan, maar ze zit nog even op het toilet. En met haar aandoening duurt dat even wat langer. Het is nog maar de tweede keer dat ze naar de WC gaat sinds de laatste operatie, moet u weten.’
Mijn gezicht verslapte. Door de zojuist ongevraagd verstrekte private informatie zag ik Beatrijs in een ander daglicht. Ik vond het jammer.

Verpleegsters zijn altijd druk, doordat er veel te weinig zijn. Deze mevrouw had zich al omgedraaid zonder mijn antwoord af te wachten, verschoof kordaat de stoelen die ik achteloos terzijde had geschoven en beende het vertrek uit, mij nog een ‘Ze komt er zo aan!’ toeroepend.
Opnieuw was het doodstil. Ik keek uit het raam neer op een weilandje met geitjes en een verdwaalde kip. Een jongen op krukken liep zeer moeizaam over het gras, ondersteund door zijn ouders, naar het leek. De geitjes kwamen nieuwsgierig naderbij. De jongen joeg ze weg met een kruk, maar verloor daarbij bijna zijn evenwicht, zodat de geitjes, stiekem lachend onder elkaar, bijeenschaarden bij de ruif.
Ik vond het een mooi tafereeltje en bedacht dat het misschien helemaal niet zo gek was om een tijdje in een verpleeghuis te liggen, ver weg van enge, pompeuze mensen en genietend van een grasveldje met beesten.

’Ben je daar. Je bent de eerste die ik zie!’
Andermaal schrok ik buitensporig. Stilte maakt niet alert. Ik draaide me om en zag Beatrijs in een rolstoel de kamer binnenglijden. Ze keek verongelijkt, maar toch gelukkig. Ze was blij dat ik er was.
Ik gaf haar de bloemen en luisterde geduldig naar vrij bloederige informatie over de operatie, voorzien van het tonen van littekens. Ik zal het u verder besparen.

Na een kwartiertje duwde ik gedwee de rolstoel met piepende wielen door de gang, op weg naar het restaurant. Voorzichtig roerend in de koffie vertelde ze:
‘Mensen komen niet langs, zie je. Ja, als ik straks weer thuis ben, dan komen ze langs. Het liefst allemaal tegelijk. En meestal zeggen ze Goh, we wilden net bij je langs gaan in het verpleeghuis, maar we hoorden dat je weer thuis bent! En dan zitten ze bij me thuis op de koffie. En dat hoeft voor mij helemaal niet. Ik lig hier de hele tijd zonder bezoek. Al bijna vier weken, want tussen de twee operaties in was ik hier ook. Ik heb ze liever hier.’

Ik knikte maar wat. Want wat moet je zeggen tegen iemand die zich ziek en alleen voelt? Volgende keer beter?
‘Nou ja. Je bent er,’ zei ze, en ze keek me dankbaar aan, ‘en ik mag over twee weken naar huis als alles goed gaat. En trouwens, eerst lagen er twee oude mannen bij me op de kamer. De een rook constant naar poep en de andere praatte de héle tijd. Zónder gebit! Nee, dan liever alleen!’
Ze lachtte zachtjes voor zich uit, maar keek ook een beetje triest.
‘Nou, drink je koffie maar op, want het restaurant gaat om acht uur dicht. Dan moeten we naar de kamers. Of je moet nog naar het sportcafé willen. Dat is tot tien uur open.’
Maar ik vond het mooi geweest. We namen afscheid in de grote hal en een toevallige verpleegster nam haar mee naar boven met de lift.

Buiten stond een jongen hevig naar boven te zwaaien. Achter het donkere glas zag ik iemand terugzwaaien met iets wits in de hand.
‘Da’s m’n broer,’ zei de zwaaier trots. ‘Hij heeft kanker,’ voegde hij er opgewekt aan toe, alsof het een griepje betrof. En weer zwaaide hij heftig.

Nee, ik was blij dat ik weer naar huis mocht. Gezond en wel.