Ongetwijfeld was het zijn eerste baantje. Een kind eigenlijk nog, zodat ik me afvroeg wat de minimum leeftijd is waarop je mag gaan werken en welk salaris daar dan bij zou horen. De jongeling in de dierenwinkel hoorde ernstig de wens van mijn zoontje aan dat hij tien rode visjes uit dát aquarium mee naar huis moest. De rode visjes zwommen nog argeloos rond tussen blauwe en groene visjes. Hij knikte gelaten en stroopte zijn rechtermouw op tot aan zijn oksel, pakte een minutieus visnetje van de balie en opende het deksel van het aquarium.

Visjes hebben een neus voor onraad en de hele meute vloog en masse, zonder onderscheid in kleur, als een razende van links naar rechts door het bakje. Moedig plantte de jongen het netje in het aquarium en ging op jacht. Tien minuten later had hij het eerste visje in een plastic zak met water gedeponeerd. Het eerste lévende visje weliswaar. Het eerste exemplaar drukte hij onhandig dood tussen netje en voorruit, tot afgrijzen van mijn zoontje. Ik trok hem maar wat naar achteren, zeker toen de jongen, na nog twintig vruchteloze pogingen, het net onbeheerst door het aquarium trok.
‘Ze zijn wel snel,’ luidde zijn commentaar dan ook. Met de mouw die niet opgestroopt zat wiste hij het zweet van het voorhoofd.
‘Ik zou wel een groter netje pakken,’ zei ik maar, wijzend op een forser net op de toonbank.
‘Ja dat denk ik ook,’ zei de jongen.

Na nog zestien minuten drentelen en de handen van mijn zoontje uit allerlei bakken water met planten trekkend zaten er acht exemplaren in de plastic zak. Het bleek ook erg ingewikkeld om visjes van de juiste kleur in het net te krijgen.
‘Wéér de verkeerde!’ klonk het dan ook dikwijls.
‘Anders laat maar zo joh,’ zei ik, schipperend, ‘we nemen nog wel een paar blauwe erbij uit die andere bak. Die zwemmen alleen.’
Mijn zoon vond het prima en de jongen ook. Opgetogen ging hij richting het andere aquarium, dat echter een plank hoger stond.
‘Daar moet ik even een trapje bijhalen,’ zei hij. Het leek mij evident en ik knikte.

Binnen vijf minuten vertrekken uit de dierenzaak leek een utopie. Ik dacht dat een paar visjes vangen uit een bak met louter dezelfde exemplaren een makkie was, maar helaas bleek dit opnieuw een toer der behendigheid die de jongen niet aankon.
‘Ik pak toch maar weer het grote net,’ zei hij zuchtend.
Toen hij even later een vis in het net had verloor hij het evenwicht en viel van het trapje. Het visje landde keurig op het beton. Voor de voeten van mijn zoon. Zo’n vis kijkt, naar lucht happend, niet bijster vrolijk. Het huilen stond mijn zoontje dan ook nader dan het lachen.
‘Laat maar zo,’ zei ik.

Toen twee gevulde zakken dichtgeknoopt op de toonbank stonden begon de jongeling moeizaam aan de nota, die ik mee moest nemen naar de kassa. Toen hij bijna klaar was met de rekensom bleek dat zijn nog natte handen het papier van de nota tot pulp hadden gereduceerd.
‘Ik moet even een plakbandje halen bij mijn collega,’ zei hij mat.
‘Kun je geen nieuwe nota schrijven?’ vroeg ik.
Maar hij liep al weg.

Na vijf minuten was hij terug en begon een zoekende houding aan te nemen. Ik zag de vissen in de zak reeds moeizaam ademhalen.
‘Wat doe je nou?’ vroeg ik op dringende toon.
“Heeft ú misschien mijn bonnenboekje gezien?’ vroeg de jongen op een toon alsof ik het in de binnenzak had geplaatst.

Twee uur later waren we thuis. De vissen waren aan het rugzwemmen in de zak, maar na enkele rondjes 43.2 in het nieuwe aquarium trokken ze wat bij.
Mijn zoon zat er pal voor, met zijn neus bijna tegen de ruit.
‘Mooi hè, pap?’ zei hij. Hij glunderde.

 
 
hap